Search Header Logo

Campus 1a: Les 32: Letterlijk en figuurlijk taalgebruik (met QR)

Authored by Jolien Van Erdeghem

World Languages

1st Grade

Used 21+ times

Campus 1a: Les 32: Letterlijk en figuurlijk taalgebruik (met QR)
AI

AI Actions

Add similar questions

Adjust reading levels

Convert to real-world scenario

Translate activity

More...

    Content View

    Student View

8 questions

Show all answers

1.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Hij nam alweer printpapier mee van zijn werk. De tiende keer werd hij betrapt.

Hij liep tegen de lamp.

Hij had een grote mond.

Hij was de draad kwijt.

Hij heeft groene vingers.

2.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Zijn collega’s hadden al eens gezegd dat hij vaak stal.

Hij liet zijn collega's in de kou staan.

Hij heeft lange vingers.

Hij heeft er geen kaas van gegeten.

Hij haalt zijn neus op.

3.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Ook tegen de baas was hij vaak brutaal.

Hij stond met zijn rug tegen de muur.

Hij zat op rozen.

Hij kon het op zijn buik schrijven.

Hij had een grote mond.

4.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Hij kwam altijd een uur later toe. Nu is hij werkloos.

Hij zit iemand op de hielen.

Hij staat op straat.

Hij is de draad kwijt.

Hij bijt zijn tanden erop stuk.

5.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Ze heeft niet gestudeerd voor de toets. Ze moet nu de vervelende gevolgen van de situatie ervaren.

Ze zit op rozen.

Ze heeft groene vingers.

Ze heeft lange tenen.

Ze zit met de gebakken peren.

6.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Emilie stuurde net een bericht. Waar ik bleef. Ik weet niet wat ik moet doen.

Ik moet Emilie wel iets laten weten.

Ik wil haar op de hielen zitten.

Ik wil haar niet aan het lijntje houden.

Ze kan dit op haar buik schrijven.

Ze staat op straat.

7.

MULTIPLE CHOICE QUESTION

1 min • 1 pt

Media Image

Welke uitdrukking past het beste bij onderstaande situatie?

Maar wat kan ik doen om te ontsnappen aan mijn huisarrest? Niets

denk ik. Mijn ouders hebben me vastgezet.

Ik zit op rozen.

Ik sta op straat.

Ik sta met mijn rug tegen de muur.

Ik heb een grote mond.

Access all questions and much more by creating a free account

Create resources

Host any resource

Get auto-graded reports

Google

Continue with Google

Email

Continue with Email

Microsoft

Continue with Microsoft

or continue with

Facebook

Facebook

Apple

Apple

Others

Others

Already have an account?