Worksheetspsychologie
Total questions: 15
Worksheet time: 17mins
Name
Class
Date
1.
Wat is een participerende observatie?
a)
De observator neemt zelf deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
b)
De observator neemt zelf niet deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
c)
er zijn geen strenge regels opgesteld en geen vaste afspraken gemaakt over de beschrijving van de observatie. Er wordt niet gewerkt met van tevoren vastgestelde categorieën of schema's.
2.
Wat is een gestructureerde observatie?
a)
Er zijn geen strenge regels opgesteld en geen vaste afspraken gemaakt over de beschrijving van de observatie. Er wordt niet gewerkt met van tevoren vastgestelde categorieën of schema's.
b)
De observator neemt zelf niet deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
c)
Er worden vooraf strenge regels gesteld. De observatiecategorieën staan van tevoren vast en worden in de vorm van een observatielijst of observatieschema uitgewerkt.
3.
Wat is een niet-participerende observatie?
a)
Er worden vooraf strenge regels gesteld. De observatiecategorieën staan van tevoren vast en worden in de vorm van een observatielijst of observatieschema uitgewerkt.
b)
De observator neemt zelf niet deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
c)
De observator neemt zelf deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
4.
Wat is een ongestructureerde observatie?
a)
Er zijn geen strenge regels opgesteld en geen vaste afspraken gemaakt over de beschrijving van de observatie. Er wordt niet gewerkt met van tevoren vastgestelde categorieën of schema's.
b)
Er worden vooraf strenge regels gesteld. De observatiecategorieën staan van tevoren vast en worden in de vorm van een observatielijst of observatieschema uitgewerkt.
c)
De observator neemt zelf deel aan de handelingen van de persoon die geobserveerd wordt.
5.
Wat betekent objectief?
a)
persoonlijk, volgens eigen mening.
b)
zonder zich door eigen voorkeur te laten beïnvloeden. Onbevooroordeeld.
6.
Wat betekent subjectief?
a)
persoonlijk, volgens eigen mening.
b)
zonder zich door eigen voorkeur te laten beïnvloeden. Onbevooroordeeld.
7.
Welke vragen staan centraal bij de voorbereiding van een observatie?
a)
Wie, waar, hoe, waarom
b)
Wie, hoe, wat, waarmee
c)
Wie, wat, welk, hoe
8.
Wat betekent interpreteren?
a)
Het op een bepaalde manier zien of voelen
b)
Actief aan iets deelnemen
9.
Wat betekent Antecedent?
a)
Dat wat in de toekomst gebeurt.
b)
Dat wat eraan voorafging
10.
Wat betekent Behaviour?
a)
Het gevolg
b)
Wat vooraf gebeurt.
c)
het gedrag
11.
Wat betekent consequence?
a)
Het gevolg
b)
Het verleden
12.
Wat is een handige methode om inzichtelijk te krijgen hoe de verhoudingen liggen in een groep?
a)
ABC-methode
b)
volgsysteem
c)
sociogram
13.
Wat is geen beoordelingsschaal?
a)
Dit zijn lijsten met gegevens over allerlei zaken die betrekking hebben op iemand.
b)
Hiermee werk je als je iemand gedrag moet beoordelen
c)
Deze schema's gebruik je wanneer je meer informatie nodig hebt over iemands gedrag.
14.
Wat zijn rapportagelijsten?
a)
hiermee werk je als je iemand gedrag moet beoordelen
b)
deze schema's gebruik je wanneer je meer informatie nodig hebt over iemands gedrag.
c)
Dit zijn lijsten met gegevens over allerlei zaken die betrekking hebben op iemand.
15.
Wat zijn observatieschema's?
a)
Hiermee werk je als je iemands gedrag moet beoordelen.
b)
Deze schema's gebruik je wanneer je meer informatie nodig hebt over iemand gedrag
c)
dit zijn lijsten met gegevens over allerlei zaken die betrekking hebben op iemand.
100 %
