NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsD-toets H5 T2 DNA
Total questions: 20
Worksheet time: 2hrs 36mins
Name
Class
Date
1.
Bij chimpansees is 2n = 48.
Bepaalde chromosomen van vrouwelijke chimpansees zijn kopieën van chromosomen van hun grootmoeders van moederszijde.
Als ervan wordt uitgegaan dat er geen mutaties en geen breuken in chromosomen optreden, is dan te bepalen hoe groot het aantal van deze kopieën gemiddeld bij vrouwelijke chimpansees zal zijn? Zo ja, hoeveel?
Bepaalde chromosomen van vrouwelijke chimpansees zijn kopieën van chromosomen van hun grootmoeders van moederszijde.
Als ervan wordt uitgegaan dat er geen mutaties en geen breuken in chromosomen optreden, is dan te bepalen hoe groot het aantal van deze kopieën gemiddeld bij vrouwelijke chimpansees zal zijn? Zo ja, hoeveel?
a)
nee
b)
ja, 6
c)
ja, 12
d)
ja, 24
2.
Maïs is een belangrijk voedselgewas. Door jarenlange veredeling via kruising en selectie zijn de maiskolven steeds groter en voedzamer geworden. Een nadeel van deze veredelingsmethode is dat deze zeer veel tijd kost. Een ander nadeel is dat niet elk gewenst resultaat kan worden bereikt. Het verhogen van de weerstand tegen insectenvraat bleek bij maïsplanten via kruising en selectie niet te lukken. Hiervoor worden de volgende verklaringen bedacht:
1 Doordat maïsplanten door de wind worden bestoven, vindt overdracht van genen willekeurig plaats.
2 Een gen dat weerstand geeft tegen insectenvraat komt bij maïs van nature niet voor.
Kan 1 een juiste verklaring zijn voor het feit dat het verhogen van de weerstand van maïsplanten niet lukte via kruising en selectie? En 2?
1 Doordat maïsplanten door de wind worden bestoven, vindt overdracht van genen willekeurig plaats.
2 Een gen dat weerstand geeft tegen insectenvraat komt bij maïs van nature niet voor.
Kan 1 een juiste verklaring zijn voor het feit dat het verhogen van de weerstand van maïsplanten niet lukte via kruising en selectie? En 2?
a)
geen van beide verklaringen
b)
alleen verklaring 1
c)
alleen verklaring 2
d)
beide verklaringen
3.
In bron 1 zijn twee karyogrammen weergegeven. Deze karyogrammen zijn afkomstig van een eeneiige tweeling. Het ene kind is van het mannelijk geslacht zonder duidelijke uiterlijke afwijkingen. Bij het andere kind zijn wel uiterlijke afwijkingen geconstateerd.
Bij het ontstaan van deze tweeling is een stoornis opgetreden in een kerndeling. Vijf mogelijke stoornissen zijn:
1 een stoornis in de meiose 1 van de eicel
2 een stoornis in de meiose 1 van de zaadcel
3 een stoornis in de meiose 2 van de eicel
4 een stoornis in de meiose 2 van de zaadcel
5 een stoornis in de eerste mitose van de zygote
Welke van deze stoornissen kan geleid hebben tot het ontstaan van deze bijzondere tweeling?
Bij het ontstaan van deze tweeling is een stoornis opgetreden in een kerndeling. Vijf mogelijke stoornissen zijn:
1 een stoornis in de meiose 1 van de eicel
2 een stoornis in de meiose 1 van de zaadcel
3 een stoornis in de meiose 2 van de eicel
4 een stoornis in de meiose 2 van de zaadcel
5 een stoornis in de eerste mitose van de zygote
Welke van deze stoornissen kan geleid hebben tot het ontstaan van deze bijzondere tweeling?
a)
stoornis 1 of 2
b)
stoornis 3 of 4
c)
stoornis 5
d)
alle stoornissen
4.
Biologen onderscheiden twee typen mutatie: somatische en erfelijke mutatie. Somatische mutatie komt alleen voor in lichaamscellen. De mutantgenen die daarbij ontstaan, kunnen dus verder voorkomen in alle cellen die door deling uit die lichaamscellen zijn ontstaan. Erfelijke mutatie vindt plaats in gameten of in cellen waaruit gameten ontstaan. De mutantgenen die daar het gevolg van zijn, kunnen van generatie op generatie worden doorgegeven.
Een leerling leest de volgende bewering: "Mutatie is vaak het gevolg van fouten tijdens de verdubbeling van het DNA en soms het gevolg van fouten tijdens de kerndeling."
Geldt deze bewering uitsluitend voor erfelijke mutatie, uitsluitend voor somatische mutatie of voor beide typen mutatie?
Een leerling leest de volgende bewering: "Mutatie is vaak het gevolg van fouten tijdens de verdubbeling van het DNA en soms het gevolg van fouten tijdens de kerndeling."
Geldt deze bewering uitsluitend voor erfelijke mutatie, uitsluitend voor somatische mutatie of voor beide typen mutatie?
a)
Deze bewering geldt uitsluitend voor erfelijke mutatie
b)
Deze bewering geldt uitsluitend voor somatische mutatie
c)
Deze bewering geldt zowel voor erfelijke als voor somatische mutatie
5.
Op een bepaald chromosoom ligt het gen voor het enzym mono-amine-oxydase-A (MAO-A). Dit enzym speelt een rol bij de normale afbraak van neurotransmitters, stoffen in de hersenen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen verzorgen. Er bestaat een genetisch defect dat de productie van het enzym MAO-A ontregelt. Gevolg daarvan zou zijn dat de stofwisseling van de neurotransmitters als serotonine, dopamine en noradrenaline in de hersenen verstoord is geraakt. Dit heeft weer tot gevolg dat er agressief gedrag optreedt. Dit agressieve gedrag treedt voornamelijk bij mannen op.
Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.
Met behulp van welk celorganel wordt het MAO-enzym gemaakt?
Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.
Met behulp van welk celorganel wordt het MAO-enzym gemaakt?
a)
endoplasmatisch reticulum
b)
ribosoom
c)
golgi-apparaat
d)
mitochondrium
6.
Wat gebeurt er bij recombinant-DNA-techniek?
a)
Twee verschillende organismen wisselen via plasmiden stukjes DNA uit zodat er nieuwe combinaties ontstaan
b)
Een deel van het DNA van een organisme wordt in een ander organisme gebracht
c)
Door het enzym reverse transcriptase wordt RNA omgezet in DNA. Dit DNA heeft een andere combinatie van genen
d)
Een plasmide van een bacterie wordt overgebracht in een andere cel
7.
Het erfelijk materiaal in virussen is heel verschillend. Dit virus komt voor in varianten met enkel- en met dubbelstrengs DNA.
Het erfelijk materiaal van een bepaald virus heeft de volgende samenstelling van stikstofbasen: cytosine = 19%, adenine = 25%, thymine = 33% en guanine = 23%.
Kan men op grond van deze gegevens bepalen wat voor erfelijk materiaal het is? Zo ja, welke vorm is het?
Het erfelijk materiaal van een bepaald virus heeft de volgende samenstelling van stikstofbasen: cytosine = 19%, adenine = 25%, thymine = 33% en guanine = 23%.
Kan men op grond van deze gegevens bepalen wat voor erfelijk materiaal het is? Zo ja, welke vorm is het?
a)
ja, het is dubbelstrengs DNA
b)
Ja, het is enkelstrengs DNA
c)
Nee, het is niet te bepalen
d)
Ja, het is RNA
8.
In welk rijtje staan de woorden in juiste volgorde van klein naar groot?
a)
thymine - nucleotide - triplet - DNA-molecuul - chromosoom - gen -genoom
b)
thymine - triplet - gen - nucleotide -DNA-molecuul - chromosoom - genoom
c)
thymine - nucleotide - triplet - gen - DNA-molecuul - chromosoom - genoom
d)
thymine - nucleotide - triplet - gen -genoom - DNA-molecuul - chromosoom
9.
Op een bepaald chromosoom ligt het gen voor het enzym mono-amine-oxydase-A (MAO-A). Dit enzym speelt een rol bij de normale afbraak van neurotransmitters, stoffen in de hersenen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen verzorgen. Er bestaat een genetisch defect dat de productie van het enzym MAO-A ontregelt. Gevolg daarvan zou zijn dat de stofwisseling van de neurotransmitters als serotonine, dopamine en noradrenaline in de hersenen verstoord is geraakt. Dit heeft weer tot gevolg dat er agressief gedrag optreedt. Dit agressieve gedrag treedt voornamelijk bij mannen op.
Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.
Een gen is een drager van erfelijke informatie.
Waarvan is een gen de code?
Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.
Een gen is een drager van erfelijke informatie.
Waarvan is een gen de code?
a)
een eiwit
b)
DNA
c)
RNA
d)
een aminozuur
10.
In het DNA van een bepaalde bacterie zit 16 % Adenine.
Wat is het percentage Guanine in die bacterie?
Wat is het percentage Guanine in die bacterie?
a)
16%
b)
68%
c)
34%
d)
Dat kun je niet weten
11.
Een cel bevat bepaalde hoeveelheden van de volgende stoffen:
1) DNA,
2) m-RNA,
3) aminozuren,
4) koolhydraat.
Deze cel gaat op een gegeven ogenblik meer van een bepaald eiwit produceren.
Van welk van bovengenoemde stoffen neemt daarbij de hoeveelheid toe?
1) DNA,
2) m-RNA,
3) aminozuren,
4) koolhydraat.
Deze cel gaat op een gegeven ogenblik meer van een bepaald eiwit produceren.
Van welk van bovengenoemde stoffen neemt daarbij de hoeveelheid toe?
a)
DNA
b)
m-RNA
c)
aminozuren
d)
koolhydraat
12.
Hier staat een stukje DNA-streng.
Uit hoeveel nucleotiden bestaat dit stukje DNA?
Uit hoeveel nucleotiden bestaat dit stukje DNA?
a)
2
b)
4
c)
6
d)
12
13.
Voor dubbelstrengs DNA geldt de volgende verhouding:
1. A/G
2. C/T
3. C/G
4. (A+C)/(G+T)
5. (A+G)/(C+T)
6. (A+T)/(G+C)
Welke verhoudingen zijn gelijk aan 1 ?
1. A/G
2. C/T
3. C/G
4. (A+C)/(G+T)
5. (A+G)/(C+T)
6. (A+T)/(G+C)
Welke verhoudingen zijn gelijk aan 1 ?
a)
1 en 2
b)
4 en 6
c)
3, 4 en 5
d)
1, 4 en 5
14.
De nucleotide-samenstelling (basenvolgorde) van een DNA streng is:
TAC CGA TTA ACA CTT ATT
De basenvolgorde in het mRNA is dan: (gebruik Binas)
TAC CGA TTA ACA CTT ATT
De basenvolgorde in het mRNA is dan: (gebruik Binas)
a)
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
b)
ATG GCT AAT TGT GAA TAA
c)
UTG GCT UUT TGT GUU TUU
d)
AUC CGU AAU UCU CAA UAA
15.
Gegeven is de volgende mRNA:
AUG CGC CAU UAU AAG UGA
De gevormde polypeptide is:
( gebruik Binas!)
AUG CGC CAU UAU AAG UGA
De gevormde polypeptide is:
( gebruik Binas!)
a)
met-arg-his-tyr-lys-stop
b)
start-arg-his-tyr-lys
c)
met-arg-his-tyr-lys
d)
arg-his-tyr-lys
16.
Een deel van een bepaalde genetische code is:
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Het startcodon op mRNA is AUG.
Wat is de basenvolgorde op de DNA-streng tegenover de afgelezen DNA-streng, die correspondeert met dit startcodon?
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Het startcodon op mRNA is AUG.
Wat is de basenvolgorde op de DNA-streng tegenover de afgelezen DNA-streng, die correspondeert met dit startcodon?
a)
TAC
b)
UAC
c)
AUG
d)
ATG
17.
Een deel van een bepaalde genetische code is:
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Als de zevende base uit het gegeven molecuul verdubbelt, ontstaat een polypeptide met ___ aminozuren (Gebruik Binas!)
AUG GCU AAU UGU GAA UAA
Op basis van deze basenvolgorde wordt een polypeptide gevormd.
Als de zevende base uit het gegeven molecuul verdubbelt, ontstaat een polypeptide met ___ aminozuren (Gebruik Binas!)
a)
4
b)
3
c)
5
d)
6
18.
De informatiestroom in een lichaamscel verloopt:
a)
Van DNA via RNA naar eiwit
b)
Van RNA via eiwit naar DNA
c)
Van RNA naar DNA naar eiwit
d)
van eiwit via RNA naar DNA
19.
Een mRNA codeert voor polypeptide:
met-phe-glan-gly
De code voor het laatste aminozuur is: (gebruik Binas)
met-phe-glan-gly
De code voor het laatste aminozuur is: (gebruik Binas)
a)
GGU
b)
GGG
c)
GGC
d)
alle bovengenoemde tripletten kunnen
20.
Welk van de onderstaande processen is een voorbeeld van de recombinant-DNA-techniek?
a)
Een schaap kloneren, zoals Dolly
b)
Een graanras veredelen.
c)
Een extra gen in een eicel inspuiten.
d)
en akker met pesticiden behandelen.
Reset
