Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Op Niveau, blok 6

Total questions: 25

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.
Welke van onderstaande termen is geen stijlfiguur?
a)
hellend vlak
b)
antithese
c)
paradox
d)
hyperbool
2.
Wat is een antithese?
a)
een schijnbare tegenstrijdigheid
b)
een vergelijking
c)
een overdrijving
d)
een tegenstelling
3.
wat is een eufemisme?
a)
een taalgrapje
b)
een verzachtende manier van zeggen
c)
een overdrijving
d)
twee keer hetzelfde zeggen
4.
Welke van onderstaande zinnen bevat een personificatie?
a)
Het duurde eeuwen voordat we aan de beurt waren
b)
Zo komt Jan Splinter door de winter
c)
De wind fluisterde haar naam
d)
Wie wil nou niet een langere vakantie?
5.
Wat is het object in de volgende vergelijking?Het meisje heeft een kast van een slaapkamer in haar ouderlijk huis.
a)
kast
b)
slaapkamer
c)
het meisje
d)
haar ouderlijk huis
6.
Wat is assonantie?
a)
beginrijm
b)
eindrijm
c)
middenrijm
d)
volrijm
7.
In welke zin zie je een alliteratie?
a)
Hij viel voor haar en werd verliefd.
b)
Het is al even geleden.
c)
Ik zou mijn leven voor  hem geven.
d)
Het misselijkmakende missen was ondraaglijk.
8.
Welke omschrijving past niet bij een retorische vraag?
a)
Een vraag waar je het antwoord al op weet.
b)
Een vraag waarop je geen antwoord hoeft te geven.
c)
Een bewering als vraag formuleren.
d)
Een vraag waar geen antwoord op is.
9.
Benoem de beeldspraak: Meer smaak, minder nodig.
a)
antithese
b)
paradox
c)
hyperbool
d)
pleonasme
10.
Van welke  drogreden is hier sprake? We moeten echt iets doen aan het rookbeleid, anders verandert er niets.
a)
verschuiving bewijslast
b)
hellend vlak
c)
onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
d)
cirkelredenering
11.
Welke omschrijving past bij de drogreden van het valse dilemma?
a)
De spreker draait in een kringetje rond.
b)
Het gaat van kwaad tot erger.
c)
Het lijkt alsof er maar twee opties zijn.
d)
er wordt een overhaaste conclusie getrokken.
12.
Welke drogreden kan beginnen met:Als je nu niet........dan......
a)
hellend vlak
b)
dreigement
c)
generalisering
d)
stromanredenering
13.
Wat is de stelling in het volgende voorbeeld?Ik wil niet naar school. Het is tijdverspilling.
a)
Ik wil niet naar school. Het is tijdverspilling.
b)
Het is tijdverspilling.
c)
Ik ga niet naar school. 
d)
Hier zit geen stelling in.
14.
Wat is een subargument?
a)
Een argument dat onderdeel is van een ander argument.
b)
Een op zichzelf staand argument.
c)
Het kleinste argument van de redenering.
d)
een nevenschikkend argument.
15.
Wat is een empirisch argument?
a)
Een argument op basis van feiten.
b)
Een argument op basis van een autoriteit.
c)
Een argument op basis van emotie.
d)
Een argument op basis van ervaring.
16.
Van welk soort argument is hier sprake:ik vind het een prachtig boek. Ik kan me helemaal identificeren in de hoofdpersoon.
a)
emotioneel argument
b)
moreel argument
c)
empirisch argument
d)
gezagsargument
17.
Van  welk soort argument is hier sprake?Uit onderzoek is gebleken dat 60% van de Nederlanders te veel suiker eet.
a)
feitelijk argument
b)
gezagsargument
c)
moreel argument
d)
voorbeeldargument
18.
Als je ergens met hart en ziel in gelooft, welke argumenten zal je dan in eerste instantie geneigd zijn te gebruiken om anderen te overtuigen?
a)
morele argumenten
b)
feitelijke argumenten
c)
empirische argumenten
d)
emotionele argumenten
19.
Wat is geen type redenering?
a)
het want-type
b)
het dus-type
c)
het gemengde want-dus type
d)
het gemende dus-want type
20.
nevengeschikte argumenten zijn:
a)
Niet gelijkwaardig aan elkaar.
b)
Gelijkwaardig aan elkaar.
c)
Een ondersteuning bij een ander argument.
d)
Hetzelfde als subargumenten.
21.
Wat is het verschil tussen een oorzaak en een reden?
a)
Aan een oorzaak kun je zelf iets doen, aan een reden niet.
b)
Aan een reden kun je niets doen, aan een oorzaak wel.
c)
Aan een reden kun je zelf iets doen, aan een oorzaak niet.
d)
Het betekent precies hetzelfde.
22.
Hebben we hier te maken met een oorzaak of een reden?Het systeem lag de hele dag plat. Ik kon dus geen mails versturen.
a)
oorzaak
b)
reden
c)
beide
d)
beide niet
23.
Hebben we hier te maken met een oorzaak of een reden?Ik ben te laat gekomen omdat het me niet lukte op te schieten
a)
oorzaak
b)
reden
c)
beide
d)
beide niet
24.
Met welk stijlmiddel hebben we hier te maken? Elk gerucht of geluid is vervelend als je moet studeren.
a)
pleonasme
b)
paradox
c)
antithese
d)
tautologie
25.
Wat is een ander woord voor jargon?
a)
vaktaal
b)
ironie
c)
woordspeling
d)
stromanredenering