wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K11; zenuwstelsel, zintuigen en hormonen

Total questions: 52

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.
De gekleurde delen van de afbeelding
a)
vormen het CZS
b)
zijn lichaamszenuwen
c)
zijn zintuigen
d)
zijn hormoonklieren
2.
De oranje delen van de afbeelding maken een hormoon dat:
a)
je snel veel energie geeft
b)
ervoor zorgt dat je groeit
c)
voor de goede hoeveel suikers in je bloed zorgt
d)
je secundaire geslachtskenmerken krijgt
3.
De oranje delen van de afbeelding geven aan:
a)
de bijnieren
b)
de alvleesklier
c)
de teelballen
d)
de schildklier
4.
De letter P geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
5.
De letter Q geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
6.
De letter R geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
7.
De letter S geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
8.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
9.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
10.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
11.
Welke kleur heeft het slakkenhuis in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
12.
Welke kleur heeft het trommelvlies in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
13.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
14.
Welke letter geeft een prikkel aan in de afbeelding?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
15.
Bij welke letter weet het meisje dat de zak patat er is?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
16.
Bij welke letter gaan er impulsen naar de spieren van haar arm?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
17.
Welke letter geeft het ruggenmerg aan?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
18.
Is dit een prikkel of een impuls?
a)
prikkel
b)
impuls
19.
Is dit een adequate prikkel voor je oog?
a)
ja
b)
nee
20.
Is dit een adequate prikkel voor je evenwichtszintuig?
a)
ja
b)
nee
21.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
22.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
23.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
24.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
pijnzintuig
c)
tastzintuig
d)
temperatuurszintuig
25.
Het deel dat nummer 3 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
26.
Het deel dat nummer 2 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
27.
Het deel dat nummer 4 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
28.
Het deel dat nummer 1 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
29.
De druk binnen en buiten het oor gelijk houden hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
30.
Impulsen doorgeven naar het CZS hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
31.
Omzetten van prikkels naar impulsen hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
32.
Nummer 13 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
33.
Nummer 6 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
34.
Nummer 8 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
35.
Nummer 7 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
36.
Nummer 5 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
37.
Nummer 3 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
38.
Nummer 6 is
a)
de oogzenuw
b)
de gele vlek
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
39.
Voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
40.
"dit deel zorgt dat er een scherp beeld op het netvlies komt" hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
41.
"brengt impulsen naar het CZS" hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
42.
"hiermee kan de oogbol bewegen" hoort bij
a)
nummer 1
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
43.
Welk nummer geeft de eilandjes van Langerhans aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
44.
Welk hormoon wordt NIET gemaakt in deze klier?
a)
insuline
b)
glucagon
c)
adrenaline
45.
Welk nummer geeft de schildklier aan?
a)
1
b)
3
c)
4
d)
5
46.
Welk nummer geeft de eierstokken aan?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
47.
Welke klier maakt mannelijk geslachtshormoon aan?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
48.
Welke klier maakt hormonen aan die je stofwisseling regelen?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
49.
Vul aan: Als er meer van een hormoon in het bloed zit, is de werking 
a)
minder sterk
b)
sterker
c)
gelijk
50.
Vul aan: Als er meer van een hormoon in het bloed zit, wordt een ander hormoon 
a)
vermindert
b)
ook meer
51.
Welk stelsel werkt sneller?
a)
het hormoonstelsel
b)
het zenuwstelsel
c)
allebei net zo snel
52.
De veranderingen van de jongen in het plaatje komen door:
a)
geslachtshormoon
b)
groeihormoon
c)
geslachtshormoon én groeihormoon
d)
geen van de twee hormonen