wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn neef ________ mijn ouders een cadeau.
a)
geeft
b)
geef
c)
geevt
d)
geven
2.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn ouders ________ mijn neef een cadeau.
a)
geeft
b)
geeven
c)
geefen
d)
geven
3.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Wij _________ door de straten.
a)
zwerfen
b)
zwerven
c)
zwerve
d)
zwerfe
4.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Er ____________ heel wat mensen op planeet Aarde.
a)
leeven
b)
leven
c)
lefen
d)
leefen
5.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Het jongetje ____________ over het internet.
a)
surft
b)
surfen
c)
surf
d)
surfd
6.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Het hondje __________ naar de postbode.
a)
blafd
b)
blaft
c)
blavt
d)
blafft
7.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Jari en Lisa __________ in het zwembad.
a)
drijven
b)
drijfen
c)
dreiven
d)
dreifen
8.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Jari ___________ op een vlot.
a)
drijft
b)
drijvt
c)
dreivt
d)
dreift
9.
Welk werkwoord hoort in de zin?
En Lisa ___________ op een luchtbed.
a)
drijft
b)
drijvt
c)
dreivt
d)
dreift
10.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Na het zwemmen ___________ hun moeder ze een ijsje.
a)
geeft
b)
geef
c)
geevt
d)
geven
11.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Ik _____________ lekker in het zonnetje zitten vandaag!
a)
blijf
b)
bleif
c)
bleiv
d)
blijv
12.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn konijn ________________ in zijn hok zitten.
a)
blijft
b)
bleift
c)
bleivt
d)
blijvt
13.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Ik __________ mijn konijn een worteltje.
a)
geef
b)
geeft
c)
geven
d)
geev
14.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn konijn _________________ door het gras.
a)
hupel
b)
huppelt
c)
huppel
d)
hupelt
15.
Welk werkwoord hoort in de zin?
De honden __________ naar elkaar.
a)
blafen
b)
blaffen
c)
blaffe
d)
blaven
16.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Het zweefvliegtuig ______________ door de lucht.
a)
zweft
b)
zweeft
c)
zweevt
d)
zweefd
17.
Welk werkwoord hoort in de zin?
De timmerman _____________ een kastje in elkaar.
a)
schroeft
b)
schroeven
c)
schroevt
d)
schroefd
18.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Ik __________ je, vanmiddag krijg je echt een snoepje.
a)
beloof
b)
beloov
c)
belof
d)
beloov
19.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Het zand ___________ door de wind in mijn gezicht.
a)
stuift
b)
stuivt
c)
stuiven
d)
stuifd
20.
Welk werkwoord hoort in de zin?
De olifanten _______________ in een nieuw olifantenverblijf.
a)
verblijf
b)
verblijven
c)
verblijfen
d)
verblijft