NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetsstof en gaswisseling
Total questions: 25
Worksheet time: 13mins
Name
Class
Date
1.
Waar vindt de citroenzuurcyclus plaats?
a)
thylakoid membraan van chloroplast
b)
binnenmembraan van chloroplast
c)
In de matrix van het mitochondrium
d)
Binnenmembraan van mitochondrium
2.
Wat verstaan we onder gaswisseling
a)
het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide in d longblaasjes
b)
het uitwisselen van stikstof en zuurstof in de longblaasjes
c)
Het uitwisselen van stikstof en zuurstof tussen cellen en bloed
d)
het opnemen van zuurstof in het bloed
3.
Waar in het ademhalingstelsel tref je trilhaarepitheel aan?
a)
nr 5
b)
nr 7
c)
nr 8
d)
zowel 5, 7 als 8
4.
Welke ademhalingspieren zijn betrokken bij een normale inademing?
a)
middenrif en binnenste tussenribspieren
b)
middenrif en buitenste tussenribspieren
c)
binnenste en buitenste tussenribspieren
d)
geen spieren
5.
Welke spieren zijn betrokken bij een normale uitademing?
a)
middenrif en binnenste tussenribspieren
b)
middenrif en buitenste tussenribspieren
c)
binnenste en buitenste tussenribspieren
d)
geen spieren
6.
Wat verstaan we onder de aerobe drempel?
a)
als de inspanning zo laag is dat je alleen aerobe verbranding hebt
b)
de grens waarbij anaeroob het aerobe systeem gaat ondersteunen
c)
de grens waarbij er meer anaeroob gaat verbranden dan aeroob
d)
Als het anaerobe systeem het helemaal overneemt van het aerobe systeem
7.
Welke stof zorgt voor de eerste aanvulling van de ATP-batterij
a)
creatinefosfaat
b)
creatine
c)
melkzuur
d)
glucose
8.
Bij fotosynthese ontstaat zuurstof. Van welk molecuul is deze afkomstig?
a)
van CO2
b)
van H2O
c)
van ATP
d)
van chlorofyl
9.
Hoeveel ATP ontstaat er bij de anaerobe verbranding van 2 mol glucose?
a)
2 mol ATP
b)
4 mol ATP
c)
38 mol ATP
d)
76 mol ATP
10.
Welke stof wordt niet geproduceerd door de lever?
a)
ureum
b)
gal
c)
billirubine
d)
glucagon
11.
Bij welk proces in de lever ontstaat billirubine?
a)
bij de afbraak van oude bloedcellen
b)
bij de productie van glycogeen
c)
bij de afbraak van eiwitten
d)
bij de productie van hormonen
12.
Welk proces/ welke kracht zorgt voor de vorming van voorurine?
a)
ademhaling
b)
osmotische waarde
c)
bloeddruk
d)
verbranding
13.
Wat is het verband tussen de productie van ADH en de productie van urine?
a)
meer urine leidt tot meer ADH
b)
meer urine leidt tot minder ADH
c)
meer ADH leidt tot meer urine
d)
meer ADH leidt tot minder urine
14.
De grondstofwisseling van een muis en een slang worden met elkaar vergeleken. De temperatuur is 10 graden Celsius. wie heeft de hoogste grondstofwisseling? en waarom?
a)
de muis, omdat hij veel verbranding heeft
b)
de muis, omdat hij weinig verbranding heeft
c)
de slang omdat hij veel verbranding heeft
d)
de slang omdat hij weinig verbranding heeft
15.
Wanneer nemen planten de meeste koolstofdioxide op uit de lucht?
a)
bij veel zon en weinig regen
b)
bij veel zon en veel regen
c)
bij weinig zon en weinig regen
d)
bij weinig zon en veel regen
16.
Bij welk proces wordt per mol brandstof de meeste CO2 geproduceerd?
a)
bij de anaerobe verbranding van glucose
b)
Bij de aerobe verbranding van glucose
c)
bij de anaerobe verbranding van vet
d)
bij de aerobe verbranding van vet
17.
Welk signaal is de ademprikkel?
a)
te kort aan O2 in het bloed
b)
te kort aan O2 in de longblaasjes
c)
te veel CO2 in het bloed
d)
te veel CO2 in de longblaasjes
18.
Wat bedoelen we met het ademvolume?
a)
de hoeveelheid lucht die je verplaatst tijdens een normale ademhaling
b)
de hoeveelheid lucht die je verplaatst tijdens een diepe ademhaling
c)
De maximale hoeveelheid lucht die je kunt verplaatsen in één ademhaling
d)
De hoeveelheid lucht die maximaal in je longen past
19.
Wat bedoelen we met de dode ruimte?
a)
alle ruimte in de longblaasjes
b)
ruimte in de longblaasjes waar geen gaswisseling plaatsvindt
c)
alle ruimte in het ademhalingstelsel
d)
de ruimte in het ademhalingstelsel waar geen gaswisseling plaatsvindt
20.
Waarom gaan veel duursporters trainen op grote hoogte?
a)
zo trainen zij hun aerobe verbranding
b)
zo trainen zij hun anaerobe verbranding
c)
zo maken ze extra rode bloedcellen aan
d)
alle 3 de opties zijn juist
21.
Dankzij welk(e) proces(sen) wordt uit voorurine urine gemaakt?
a)
actief transport
b)
diffusie
c)
osmose
d)
alle drie de opties zijn juist
22.
Hoeveel procent van de voorurine wordt terug geresorbeerd?
a)
ongeveer 10%
b)
ongeveer 50%
c)
ongeveer 90%
d)
ongeveer 99%
23.
Waarom noemen ze het trainen van je aerobe verbranding ook wel cardio(hart)fitness?
a)
omdat je dan vooral je hart-long systeem traint
b)
omdat het goed is voor hart en bloedvaten
c)
omdat je van deze sporten een hogere bloeddruk krijgt
d)
omdat je heel je hart in de training moet leggen wil het effectief zijn
24.
Tijdens de citroenzuurcyclus ontstaat CO2, van welke stof is deze CO2 afkomstig?
a)
van water
b)
van glucose
c)
van O2
d)
van ATP
25.
Tijdens een sprint van 200 meter, deze duurt ongeveer 2 minuten.
Welk energiesysteem/ welke energiesystemen gebruik je dan?
Welk energiesysteem/ welke energiesystemen gebruik je dan?
a)
Alleen ATP-batterij
b)
Alleen anaerobe verbranding
c)
Zowel ATP-batterij als anaerobe verbranding
d)
Zowel ATP-batterij, als anaerobe verbranding, als aerobe verbranding
Reset
