wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 Aardrijkskunde Herhaling H1/H2

Total questions: 22

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
Bij een hogedrukgebied is er sprake van:
a)
neerdalende lucht
b)
opstijgende lucht
c)
verplaatsende lucht
d)
een smerige lucht
2.
Op 30 graden NB en ZB bevindt zich een:
a)
lagedrukgebied
b)
hogedrukgebied
3.
Op 30 graden NB en ZB bevindt zich een:
a)
lagedrukgebied
b)
hogedrukgebied
4.
Een lagedrukgebied ontstaat door:
a)
opwarming
b)
afkoeling
5.
Wind waait aan het aardoppervlak van:
a)
een hogedrukgebied naar lagedrukgebied
b)
van een lagedrukgebied naar een hogedrukgebied
6.
Goed of fout?
De Alpen zijn een plooiingsgebergte.
a)
goed 
b)
fout
7.
Goed of fout
De Alpen bevinden zich op de grens van de Afrikaanse en Euraziatische plaat.
a)
goed
b)
fout
8.
Levensverwachting is een maat voor...
a)
Welvaart
b)
Welzijn
9.
Als je in een kolenmijn werkt dan werk je in de ........ sector
a)
primaire
b)
secundaire
c)
tertiaire
10.
Als je piloot bent dan werk je in de ........sector
a)
primaire
b)
secundaire
c)
tertiaire
11.
De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende sectoren is een aanwijzing voor .................
a)
de welvaart
b)
het welzijn
12.
De natuurlijke bevolkingsgroei is:
a)
Het geboortecijfer + het sterftecijfer
b)
Het sterftecijfer - het geboortecijfer
c)
Het geboortecijfer - het sterftecijfer
13.
Urbanisatie is:
a)
Mensen gaan in de stad wonen.
b)
Mensen gaan in een dorp wonen.
c)
Mensen verhuizen naar het buitenland.
d)
Het bouwen van een nieuwbouwwijk bij een stad.
14.
Wat laat het demografisch transitiemodel zien?
a)
De inkomsten en uitgaven van een land in de tijd
b)
De aantallen emigranten en immigranten in de tijd
c)
hoe geboortecijfers en sterftecijfers veranderen in de tijd
d)
Model van de groei van een stad door de tijd
15.
In de periode 1950 t/m 1980 daalt het geboortecijfer in Nederland sterk. Welke twee begrippen passen hier het beste bij?
a)
Geboorte overschot en sterfteoverschot
b)
Ontgroening en vergrijzing
c)
Babyboom en suburbanisatie
d)
Vertrekoverschot en geboortecijfer
16.
Hoe noemen we een weergave van de bevolkingsopbouw van een land?
a)
Bevolkingsstatistiek
b)
Leeftijdsdiagram
c)
Bevolkingsvorm
d)
Bevolkingsverloop
17.
Vrijwilligerswerk is een voorbeeld van de informele economie
a)
Waar
b)
Niet waar
18.
Regionale ongelijkheid
a)
Verschillen tussen twee landen 
b)

Verschillen tussen rijke en arme bevolkingsgroepen in een land

c)
Verschillen tussen rijke en arme gebieden binnen een land.
d)

Natuurlijke verschillen in het landschap binnen een land

19.
Multinational(s)
a)
Het gebied dat voor de aanvoer en afvoer van goederen een haven nodig heeft.
b)
Land dat goederen verdeelt over het achterland
c)
Verbindingen tussen plaatsen.
d)
Groot bedrijf dat in veel landen een fabriek of kantoor heeft.
20.
Sociale ongelijkheid
a)
Verschillen in welvaart tussen (groepen) mensen.
b)
Landen die zich aan het ontwikkelen zijn om rijker te worden. De volgers en achterblijvers.
c)
Verschillen tussen rijke en arme gebieden binnen een land.
d)
Minder rijke landen die wel op weg zijn in hun ontwikkeling.
21.
Formele sector
a)
Deel van de economie waarvan zaken officieel worden opgeschreven
b)
Haven of vliegveld dat een grote rol speelt in het internationale vervoer.
c)
Deel van de economie waarvan zaken niet officieel worden opgeschreven.
d)
Verschillen tussen rijke en arme gebieden binnen een land.
22.
Uit het journaal: wat is er vreemd aan dit plaatje?
a)
Groenland is vervormd; het is in het echt veel groter
b)
China heeft inmiddels een nieuwe vlag
c)
de grens tussen Mexico en de USA is verkeerd ingetekend
d)
Parijs is verkeerd ingetekend