wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GGdeel 1 6 t/m 10

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Het is allemaal maar suggestie.
a)
 goed bedoeld
b)
geluk
c)
verbeelding
2.
De verpakking.
a)
de emballage
b)
de eruditie
c)
de fractie
3.
Het besteedbare bedrag.
a)
de uitgave
b)
het budget
c)
het saldo
4.
Voorgerecht om de eetlust op te wekken.
a)
appetizer
b)
aperitief
c)
digestief
5.
Je geld ergens voor aanwenden
a)
(tegen) beschermen
b)
gebruiken
c)
bewaren
6.
Een goede prestatie zullen zij honoreren.
a)
aanvaarden
b)
belonen
c)
opmerken
7.
De stemming was geanimeerd.
a)
bedrukt, triest
b)
opgewekt, levendig
c)
bijzonder luidruchtig
8.
De situatie is penibel.
a)
moeilijk, pijnlijk
b)
ongeloofwaardig, vreemd
c)
onverwacht, verrassend
9.
Hij was door dat voorval gedeprimeerd.
a)
somber
b)
vrolijk
c)
redelijk positief gestemd
10.
Het oplezen van al die hoge cijfers leidde tot grote hilariteit.
a)
ontzetting
b)
algemene verbazing
c)
algemeen gelach/ algemene vrolijkheid
11.
"Wie heeft er nog een prangende vraag?", vroeg de voorzitter.
a)
logische
b)
vraag over een ander onderwerp
c)
dringende
12.
De heer Sprong laakt de houding van die kinderen.
a)
maakt belachelijk
b)
spreekt zijn afkeuring erover uit
c)
verbetert
13.
Die jongen heeft commerciële kwaliteiten.
a)
zich ontwikkelende
b)
op de handel betrekkende
c)
talentvolle
14.
Krijgt hij ook nog provisie?
a)
een tarief van een notaris
b)
een voorschot
c)
een percentage van dde winst of opbrengst
15.
Een ……………… uit iets slaan.
a)
figuurtje
b)
slaatje
c)
voordeeltje
16.
Dat geeft scheve ……………….
a)
gezichten
b)
kansen
c)
schaatsen
17.
Bij iemand in het ……………… staan.
a)
krijt
b)
oog
c)
stof
18.
Met twee tongen ………………
a)
spreken
b)
worstelen
c)
zitten
19.
Iemand op staande voet ………………
a)
betalen
b)
ontslaan
c)
verlaten
20.
De eerste viool ………………
a)
horen
b)
spelen
c)
verplaatsen
21.
Iemand vleugellam ………………
a)
hebben
b)
maken
c)
tegenkomen
22.
Zijn ………………  aan iets ophalen.
a)
been
b)
hand
c)
hart
23.
Iets van tafel vegen.
a)
iets verstoppen/geheim houden
b)
iets iemand heel erg kwalijk nemen
c)
iets verwerpen/afwijzen
24.

Nieuwe bezems vegen schoon.

a)

veranderingen en studies openen je ogen

b)

alleen met nieuwe spullen kun je goed schoonmaken

c)

nieuwe mensen of dingen werken in het begin vaak goed

25.
Zijn biezen pakken.
a)
(gedwongen) vertrekken
b)
heel boos worden
c)
zijn fouten toegeven
26.
Een slag in de lucht slaan.
a)
een schatting op goed geluk
b)
onzinnig werk doen
c)
heel veel fantasie hebben
27.
Dat is mosterd na de maaltijd.
a)
dat is te veel van het goede
b)
dat is nu te laat
c)
dat is een logische conclusie
28.
ie twee kunnen niet samen door één deur.
a)
q ze kunnen niet goed samenwerken
b)
ze zijn veel te dik
c)
 ze hebben verschillende bazen
29.
Dat is een open deur intrappen.
a)
zinloos werk doen
b)
iets zeggen wat algemeen bekend is
c)
q profiteren van de gunstige omstandigheden
30.
De TELOORGANG van de kunst.
a)
de eregalerij
b)
de ondergang
c)
de ontwikkeling