wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Regeling H4

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het doel van een reflex?
a)
Bescherming
b)
Bescherming + Ontlasting brein
c)
Bescherming + Beweging
d)
Ontlasting brein
2.
Welk deel van het autonome zenuwstelsel zorgt voor een verhoging van de hartslag?
a)
Parasympatische deel
b)
Orthosympatische deel
c)
Para- en orthosympatisch
d)
Animale zenuwstelsel
3.
Hoe noemen we een orgaan dat door een bepaald gedeelte van het zenuwstelsel wordt beïnvloed?
a)
Innervatie
b)
Dubbel orgaan
c)
Doelwit orgaan
d)
Dubbele innervatie
4.
Wat is innervatie?
a)
De voorziening van een orgaan met bloedvaten.
b)
De voorziening van een orgaan met spieren.
c)
De voorziening van een orgaan met zenuwen.
d)
De voorziening van een orgaan met pezen.
5.
Waar komt een impuls tijdens een reflex als laatste aan?
a)
In een schakelcel.
b)
In een sensorisch neuron.
c)
In een motorisch neuron.
d)
In de hersenen.
6.
Een invloed van buiten af op een organisme noemen we een:
a)
Impuls.
b)
Prikkel.
c)
Invloed.
d)
Reflex.
7.
Een uitloper die een impuls van een zenuwcel af geleid noemen we een:
a)
Dendriet.
b)
Axon.
c)
Synaps.
d)
Neuron.
8.
Wat maakt van een elektrisch signaal een snel chemische signaal in een synaps?
a)
Neurotransmitters.
b)
Hormonen.
c)
Witte bloedcellen.
d)
receptor eiwitten.
9.
Wat is NIET waar?
a)
De impulsfrequentie is altijd gelijk.
b)
De impulssterkte is altijd gelijk.
c)
De drempelwaarde ligt meestal rond -50 mV
d)
Eem natrium-kaliumpomp heeft ATP nodig om te kunnen werken.
10.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
11.
De witte kleur van de witte stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van motorische en sensorische zenuwcellen.
c)
Uitlopers van motorische,  sensorische en schakel zenuwcellen.
d)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
12.
De zenuwcellen met de langste axonen zijn meestal:
a)
Sensorische zenuwcellen.
b)
Motorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Neuronen.
13.
Het zenuwstelsel kan op grond van de bouw worden ingedeeld in het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel.
a)
Juist
b)
Onjuist
14.
Het autonome zenuwstelsel regelt gewilde bewegingen.
a)

Juist

b)
Onjuist
c)
Arriba!
15.
Het centrale zenuwstelsel bevindt zich in hoofd, romp en ledematen
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
De secretie van darmsap door darmsapklieren wordt geregeld door het animale zenuwstelsel.
a)
Juist
b)
Onjuist
17.
Receptoren zijn zintuigcellen die prikkels opvangen uit het milieu en deze omzetten impulsen.
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
Conductoren zijn zenuwcellen.
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Kliercellen die stoffen produceren onder invloed van impulsen zijn effectoren.
a)
Juist
b)
Onjuist