wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Themawoorden Groep 5 Thema 4.2

Total questions: 15

Worksheet time: 1hrs 15mins

Name
Class
Date
1.
Doe het groep 5a taalboek open op blz. 119.
a)
oke juf, dat heb ik gedaan!
b)
Welke bladzijde ook alweer?
2.
Wat is het geheugen?
a)
De plek waar je je herinneringen bewaart.
b)
Een belevenis van vroeger waar je aan denkt.
c)
Als je veel dingen niet kunt onthouden of maar voor een korte tijd.
d)
Die zitten in je hoofd, hiermee kun je denken.
3.
Wat is de herinnering?
a)
De plek waar je je herinneringen bewaart.
b)
Een belevenis van vroeger waar je aan denkt.
c)
Als je veel dingen niet kunt onthouden of maar voor een korte tijd.
d)
Die zitten in je hoofd, hiermee kun je denken.
4.
Wat is vergeetachtig?
a)
De plek waar je je herinneringen bewaart.
b)
Een belevenis van vroeger waar je aan denkt.
c)
Als je veel dingen niet kunt onthouden of maar voor een korte tijd.
d)
Die zitten in je hoofd, hiermee kun je denken.
5.
Wat zijn de hersens?
a)
De plek waar je je herinneringen bewaart.
b)
Een belevenis van vroeger waar je aan denkt.
c)
Als je veel dingen niet kunt onthouden of maar voor een korte tijd.
d)
Die zitten in je hoofd, hiermee kun je denken.
6.
Wat is voorgoed?
a)
voor altijd
b)
niet voor altijd
c)
stukken oud ijzer
d)
gebeuren
7.
Wat is het schroot?
a)
voor altijd
b)
niet voor altijd
c)
stukken oud ijzer
d)
gebeuren
8.
Wat is tijdelijk?
a)
voor altijd
b)
niet voor altijd
c)
stukken oud ijzer
d)
gebeuren
9.
Wat is zich afspelen?
bijvoorbeeld:
Het verhaal speelt zich af in Frankrijk.
a)
voor altijd
b)
niet voor altijd
c)
stukken oud ijzer
d)
gebeuren
10.
Wat is de verpleger?
a)
Die zit in je hoofd, hiermee kun je denken.
b)
Iemand die in het ziekenhuis voor de zieken zorgt.
c)
Iets op een leuke manier, met veel bijzonderheden vertellen.
d)
Met veel aandacht naar iemand luisteren.
11.
Wat is in geuren en kleuren?
a)
Die zit in je hoofd, hiermee kun je denken.
b)
iemand die in het ziekenhuis voor de zieken zorgt.
c)
iets op een leuke manier, met veel bijzonderheden vertellen.
d)
Met veel aandacht naar iemand luisteren.
12.
Wat is aan iemands lippen hangen?
a)
Die zit in je hoofd, hiermee kun je denken.
b)
iemand die in het ziekenhuis voor de zieken zorgt.
c)
iets op een leuke manier, met veel bijzonderheden vertellen.
d)
Met veel aandacht naar iemand luisteren.
13.
Wat zijn de hersencellen?
a)
Hiermee kun je denken en onthouden
b)
Iemand die in het ziekenhuis voor de zieken zorgt.
c)
Iets op een leuke manier, met veel bijzonderheden vertellen.
d)
Met veel aandacht naar iemand luisteren.
14.
Wat is zwerven?
a)
Wandelen
b)
Iemand die dit doet, heeft geen huis en slaapt steeds op een andere plek.
c)
Logeren
d)
Op visite gaan
15.
Wat is de ellende?
a)
een tijdje
b)
iets ergs, iets naars, akelig
c)
aan iemands lippen hangen
d)
Op visite gaan