Worksheetstaal les 5
Total questions: 8
Worksheet time: 4mins
Name
Class
Date
1.
Hoe noem je de rode woorden in je boek?
a)
Werkwoorden
b)
Loopwoorden
c)
Reiswoorden
d)
Fietswoorden
2.
Vliegt Raoul NU naar Suriname?
a)
Ja
b)
Nee
3.
Verander de zinnen naar Nu
a)
Druk hierop en steek je vinger voor het antwoord op.
b)
x
c)
x
d)
x
4.
Welke werkwoorden heb je gebruikt?
a)
Druk hierop en steek je vinger voor het antwoord op.
b)
x
c)
x
d)
x
5.
Wat is een zin van nu?
a)
Ik ging gisteren naar het museum?
b)
ik ga straks naar het museum?
c)
Ik ben naar een museum geweest
d)
Ik ging naar een museum?
6.
welke zin staat in de tijd van toen?
a)
Vorige week werkte mijn vader.
b)
Nu werkt mijn vader.
c)
Ik werk nu.
d)
Mijn vader werkt nu.
7.
verander zat, lagen, woonden van toen naar nu.
a)
zat, lig, woonden
b)
zit, lag, woon
c)
zit, lig, woonden
d)
zit, lig, woon
8.
zet de werkwoorden heb, ben, woon in de tijd van toen
a)
had, was, woonden
b)
had, was, woon
c)
had, ben, woonden
d)
heb, was, woon
100 %
