wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2T erfelijkheid en evolutie

Total questions: 31

Worksheet time: 2hrs 3mins

Name
Class
Date
1.
Door middel van DNA kan worden na gegaan of twee dieren verwant zijn, dezelfde voor ouder hebben.
a)
Waar
b)
Niet waar
2.
Dieren die allebei vliegen met hun vleugels zijn altijd verwant.
a)
Niet waar, want ze kunnen verschillende voorouders hebben.
b)
Waar, want ze hebben dezelfde voorouder.
3.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
4.
Dieren waren de eerste organisme die op de aarde leefden.
a)
Waar
b)
Niet waar
5.
De dinosauriërs waren de eerst dieren op het land.
a)
Waar
b)
Niet waar
6.
De planten hebben de zuurstof die nu in de lucht zit geproduceerd over de afgelopen miljoenen jaren.
a)

Waar

b)
Niet waar
7.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
8.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

9.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

10.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

11.

Bij een kikker bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 13 chromosomen.


Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

12.

Twee uitspraken:


Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen'


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Menno heeft gelijk

c)

Annie heeft gelijk

d)

Geen van beide heeft gelijk

13.

Hoeveel chromosomen heeft een niercel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

11.5

14.

Een kat heeft 38 chromosomen, hoeveel paar zijn er?

(a)  

15.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

16.

Hoeveel geslachtschromosomen bevat een zaadcel?

a)

1 - X of Y

b)

2 - XY

17.

Reimer beweert dat radioactieve straling kan leiden tot beschadiging van DNA. Sanne beweert dat bepaalde chemische stoffen mutaties in het DNA kunnen veroorzaken.

Wie heeft of wie hebben gelijk?

a)

Alleen Reimer

b)

Alleen Sannah

c)

Zowel Reimer als Sannah

18.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

19.

Welke stellingen kloppen? (meerder antwoorden mogelijk)

a)

Haaien zijn eerder ontstaan dan beenvissen

b)

Beenvissen zijn meer verwant aan haaien dan aan amfibieën

c)

Amfibieën zijn een voorouder van zoogdieren

d)

Reptielen en vogels hebben een gemeenschappelijke voorouder

20.

Wat is een soort?

a)

Een groep organismen die samen leven

b)

Een groep organismen die in staat zijn voort te planten en vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

c)

Een groep organismen die in staat zijn voort te planten

21.

Bij natuurlijke selectie overleven degene die het beste zijn aangepast aan:

a)

de natuur

b)

de omgeving/ het milieu

c)

het weer

d)

de andere dieren

22.

Hoe noemen we dit proces?

a)

natuurlijke selectie

b)

overleving

c)

de struggle van het leven

d)

Biologische differentiatie

23.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
24.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

25.

Verandert bij gewone celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

26.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

27.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

28.

Wie verzon de evolutie-theorie?

a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
29.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

30.

Welke onderdelen hebben de grootste kans om een fossiel te worden?

a)

botten en tanden

b)

spieren en pezen

c)

rudimenten

d)

huid en haren

31.

Is dit een fossiel?

a)

Ja

b)

Nee