WorksheetsWortschatz I
Total questions: 10
Worksheet time: 2mins
Name
Class
Date
1.
Wat betekent: die Beschränkung
a)
de afzwakking
b)
de verklaring
c)
de bevestiging
d)
de aanvulling
2.
Wat betekent: derzeit
a)
nu
b)
op tijd
c)
toekomstig
d)
gisteren
3.
Wat betekent: inzwischen
a)
intussen
b)
er tussen in
c)
inspringen
d)
soms
4.
Wat betekent: bereits
a)
bereid
b)
al
c)
destijds
d)
echter
5.
Wat betekent: allerdings
a)
maar
b)
altijd
c)
overig
d)
intussen
6.
Wat betekent: die Lösung
a)
de oplossing
b)
het lot
c)
de loterij
d)
de opgave
7.
Wat betekent: Es gab Dutzende Möglichkeiten.
a)
Er waren duizenden mogelijkheden.
b)
Er waren tientallen mogelijkheden.
c)
Er waren dusdanig veel mogelijkheden.
d)
Er waren Nederlandse mogendheden.
8.
Wat betekent: das Herz
a)
het hert
b)
het hart
c)
de hersenen
d)
de meneer
9.
Wat betekent: der Wettbewerb
a)
de concurrentie
b)
de weddenschap
c)
het weerbericht
d)
de verkiezingen
10.
Wat betekent: der Gegensatz
a)
de vorige zin
b)
de tegenstelling
c)
de conclusie
d)
het gevolg
100 %
