Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

economie, geld

Total questions: 20

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.
Waar kan je met de Euro betalen ?
A: In alle landen van Europa
B In alle landen van de Eurozone
a)
A is waar
b)
B is Waar
c)
A en B zijn waar
d)
Geen van beide zijn waar
2.
Wat is het verschil tussen chartaal en giraal ge
a)
Chartaal geld kan je beetpakken, giraal niet
b)
Giraal geld is contant geld
c)
Giraal geld kan je beetpakken, chartaal niet
d)
Chartaal geld staat op je creditkaart
3.
Je kan van chartaal geld giraal geld maken door ......
a)
te betalen met je pinpas
b)
Geld op te nemen bij een bankautomaat
c)
Geld te storten bij een bankautomaat
d)
betalen met je creditcard
4.
Wanneer is er sprake van een indirecte ruil ?
a)
Jansen ruilt kippen voor brood
b)
Jansen koopt kippen voor brood
c)
Jansen koopt brood van de bakker
d)
Jansen koopt brood voor kippen
5.
Wat zijn de drie geldfuncties
a)
Ruilmiddel, telmiddel en spaarmiddel
b)
Ruilmiddel, rekenmiddel en spaarmiddel
c)
Spaarmiddel, rekenmiddel en betaalmiddel
d)
Spaarmiddel, telmiddel en betaalmiddel
6.
Hoe reken je om van week naar maand ?
a)
x 4
b)
x 52 : 12
c)
x 12 : 54
d)
x 54 : 12
7.
Waarom bestaat er een minimum jeugdloon
a)
Om de werknemer te beschermen
b)
Om de werkgever te beschermen
c)
Zodat de overheid geld verdient
d)
Zodat de jeugd langer naar school gaat 
8.
Wat is een uitkering
a)
Inkomen van je werkgever
b)
Een inkomen van de overheid
c)
Loon van de overheid
d)
Loon van je werkgever
9.
Wat is een begroting ?
a)
Een overzicht van je uitgaven en inkomsten
b)
Overzicht van je toekomstige uitgaven
c)
Overzicht van je toekomstige inkomen
d)
Overzicht van je toekomstige uitgaven en inkomsten
10.
Wat zijn vaste lasten?
a)
Uitgaven die regelmatig terugkomen
b)
Lasten die je móet betalen
c)
Uitgaven waarvoor je moet sparen
d)
Uitgaven waar je aan vast zit
11.
Wat is een dagelijkse uitgave ?
a)
Verzekeringen
b)
Shampoo
c)
Reparatie van je fiets
12.
Wat is een incidentele uitgave ?
a)
Verzekeringen
b)
Shampoo
c)
Reparatie van je fiets
13.
Wat zijn vaste lasten ?
a)
Verzekeringen
b)
Shampoo
c)
Reparatie van je fiets
14.
Wat is reserveren ?
a)
Geld opzij leggen voor onverwachte uitgaven
b)
Bioscoopkaartjes bestellen
c)
Het eten opdienen in een restaurant
d)
De tafel afruimen in een restaurant
15.
Hoeveel geld moet je per maand reserveren indien je over een jaar € 2.400 wilt hebben
a)
€ 2.400
b)
€ 200
c)
€ 100
d)
€ 1.200
16.
Wat is rente ?
a)
Vergoeding van de bank voor jou spaargeld
b)
Vergoeding van de overheid voor jou spaargeld
c)
Te betalen vergoeding over je gespaarde geld
d)
Te betalen vergoeding voor je verzekering
17.
Wat zijn de 3 spaarmotieven ?
a)
Voor reserveren, voor doel, voor de rente
b)
Voor de rente, voor een goed, voor de zekerheid
c)
Voor de zekerheid, voor de rente, voor een doel
d)
Uit voorzorg, voor een doel, voor de rente
18.
Waar hangt de hoogte van het rente% niet vanaf ?
a)
Van je leeftijd
b)
Hoogte van gespaarde bedrag
c)
Hoelang je het bedrag vastzet
d)
Economische situatie in een land
19.
Van de 538 gezinnen gaan er 134 naar Spanje, 263 naar Frankrijk en blijven er 141 in Nederland.
Wat is 100%
a)
134
b)
141
c)
263
d)
538
20.
Een lening moet je terug betalen.
Waaruit bestaat deze betalingen?
a)
Rente
b)
Rente en aflossing
c)
Rente en Premie
d)
Premie en aflossing