NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsKlas 3V Overzichtskennis
Total questions: 38
Worksheet time: 14mins
Name
Class
Date
1.
Waarmee eindigde de prehistorie rond 3000 v.C.?
a)
Met de uitvinding van landbouw
b)
Met de uitvinding van het schrift
c)
Met de uitvinding van landbouwsamenlevingen
d)
Met de eerste steden
2.
Wat is goed?
a)
jager-verzamelaars waren nomaden
b)
nomaden waren jager-verzamelaars
c)
jager-verzamelaars leefden alleen in de prehistorie
d)
nomaden leefden alleen in de prehistorie
3.
Het tijdvak van Grieken en Romeinen duurt van ..... tot ..... ?
a)
13.000 v.C. tot 1000 n.C.
b)
2000 v.C. tot 500 n.C.
c)
1500 v.C. tot 1000 n.C.
d)
3000 v.C. tot 500 n.C.
4.
Hoe kon de (Grieks-)Romeinse cultuur zich verspreiden over Europa?
a)
Door de komst van het christendom
b)
Door veroveringen en handel
c)
Door de ontdekkingsreizen van Grieken
d)
Door de komst van immigranten naar het Romeinse Rijk
5.
De Islam kwam in de tijd van .....
a)
Grieken en Romeinen
b)
Monniken en Ridders
c)
Steden en Staten
d)
Ontdekkers en Hervomers
6.
De middeleeuwen zijn van .... tot ....
a)
500 tot 1500 n.C.
b)
0 tot 1000 n.C.
c)
500 tot 1000 n.C.
d)
500 tot 1700 n.C.
7.
Wat is het hofstelsel?
a)
Een stelsel waarin de koning zijn grond in leen geeft aan zijn dienaren.
b)
Een stelsel waarbij het hof van de koning bepaalde wat er gebeurde in het land
c)
Een stelsel waarbij mensen gaan handelen aan het hof van de koning
d)
Een stelsel waarin boeren heel veel van hun zelfstandigheid verloren en horigen werden in ruil voor bescherming
8.
Wat is het leenstelsel?
a)
Een stelsel waarbij leenmannen een stuk grond in leen krijgen van de koning in ruil voor hun trouw.
b)
Een stelsel waarbij boeren hun zelfstandigheid verliezen en horigen worden.
c)
Een stelsel waarbij er veel geld geleend werd in ruil voor trouw.
d)
Een stelsel waarbij men goederen en producten van elkaar kon lenen.
9.
Bij welke tijd hoort het volgende icoontje?
a)
Monniken en Ridders
b)
Steden en Staten
c)
Regenten en Vorsten
d)
Pruiken en Revoluties
10.
De geschiedenis verdelen wij in tijdvakken. Hoeveel tijdvakken zijn er?
a)
5
b)
10
c)
15
d)
20
11.
Bij welke tijd hoort het volgende icoontje?
a)
Monniken en Ridders
b)
Steden en Staten
c)
Regenten en Vorsten
d)
Pruiken en Revoluties
12.
Bij welke tijd hoort het volgende icoontje?
a)
Ontdekkers en Hervormers
b)
Steden en Staten
c)
Regenten en Vorsten
d)
Pruiken en Revoluties
13.
Waarover kregen vorsten en koningen het met elkaar aan de stok tijdens de late middeleeuwen?
a)
Welke religie ze aan moesten hangen
b)
Over protestanten en katholieken
c)
Over dat de kerk zich met de kerk moest bemoeien en de koning met wereldlijke zaken
d)
Over dat de koningen de kerk moest gaan beschermen, terwijl ze dat niet langer wilden.
14.
Hoe noemen we de periode van 1500 tot 1800?
a)
Middeleeuwen
b)
Vroegmoderne tijd
c)
Moderne Tijd
d)
Modernste moderne tijd
15.
Wat is de renaissance?
a)
De wedergeboorte van Grieken en Romeinen
b)
De wedergeboorte van kunst
c)
De wedergeboorte van wetenschap
d)
Een periode in de geschiedenis waarin mensen na gingen denken over religie
16.
De christelijke kerk werd in tweeën gedeeld in deze periode. In welke twee delen?
a)
Katholieken en calvinisten
b)
Katholieken en christelijken
c)
Christelijken en protestanten
d)
Katholieken en protestanten
17.
Hoe heette de Spaanse vorst waartegen Nederland in opstand kwam in de tijd van Ontdekkers en Hervormers?
a)
Filips I
b)
Filips II
c)
Karel V
d)
Karel VI
18.
Waarom heten de inwoners van Amerika indianen?
a)
Omdat Columbus ze vond lijken op mensen uit India
b)
Omdat Columbus alle inwoners van overzeese gebieden die naam had gegeven.
c)
Omdat Columbus dacht dat hij in India was aangekomen
d)
Omdat Columbus vond dat dit nieuwe gebied Spaans India moest heten.
19.
De Gouden Eeuw van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bevindt zich grotendeels in het volgende tijdvak....
a)
Steden en Staten
b)
Ontdekkers en Hervormers
c)
Regenten en Vorsten
d)
Pruiken en Revoluties
20.
De tijd van Regenten en Vorsten duurt van .... tot ....
a)
1500 tot 1600
b)
1600 tot 1700
c)
1700 tot 1800
d)
1800 tot 1900
21.
Galileo Galilei deed zijn ontdekkingen over het zonnestelsel in de zogenaamde ....
a)
Gouden Eeuw
b)
Renaissance
c)
Wetenschappelijke Revolutie
d)
Franse Revolutie
22.
Waarom was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in bestuurlijk opzicht uniek?
a)
Daar regeerden de stadhouders
b)
Zij hadden een koning die niks te zeggen had
c)
Het absolutisme werd hier ingevoerd
d)
De regenten bestuurden de verschillende gewesten
23.
Waar streed men ten tijde van de Franse Revolutie NIET voor?
a)
Dat iedereen gelijke belastingen diende te betalen
b)
Inspraak in het bestuur
c)
Grondrechten
d)
Behoud van de monarchie
24.
Wanneer was de Franse Revolutie?
a)
1779
b)
1784
c)
1789
d)
1794
25.
Hoe heet de man achter de Trias Politica?
a)
Montesquieu
b)
Washington
c)
Voltaire
d)
Thorbecke
26.
Wat is de uitkomst van de Amerikaanse democratische revolutie?
a)
Afschaffing van slavenhandel
b)
Ze introduceerden een president in hun bestuurssysteem
c)
Ze vochten zich los van de Franse overheersing
d)
De Verenigde Staten werd geboren
27.
Wat is een constitutionele monarchie?
a)
Een land met een parlement en een grondwet
b)
Een land met een koning en een grondwet
c)
Een land met een parlement en een koning
d)
Bestaat niet
28.
Er waren groeperingen die opkwamen voor de rechten van de arbeiders. Wie zijn dat?
a)
Liberalen
b)
Confessionelen
c)
Socialisten
d)
Feministen
29.
Wie streden er in de schoolstrijd voor gelijke financiering?
a)
Liberalen
b)
Confessionelen
c)
Socialisten
d)
Feministen
30.
Wat is modern imperialisme?
a)
De verovering van verschillende overzeese gebieden
b)
De verovering en kolonisering van verschillende overzeese gebieden
c)
Het handelen in verschillende overzeese gebieden
d)
Het bouwen van forten en handelsposten in verschillende overzeese gebieden
31.
Industriele revolutie is een ..... verandering op .... gebied
a)
Ingrijpende / politiek
b)
geleidelijk / politiek
c)
Ingrijpend / sociaal
d)
geleidelijk / sociaal
32.
Aletta Jacobs is de belangrijkste voorvechter van vrouwenkiesrecht geweest in Nederland.
a)
Juist
b)
Onjuist
33.
Door de nieuwe grondwet in 1848 krijgen de ministers meer macht. Door worden zij nog gecontroleerd?
a)
Door de koning
b)
Door de minister-president
c)
Door de Eerste Kamer
d)
Door de Eerste en Tweede kamer
34.
Wie is dit?
a)
Luther
b)
Mohammed
c)
Urbanus II
d)
Lodewijk XIV
35.
Wie is dit?
a)
Luther
b)
Erasmus
c)
Montesquieu
d)
Otzi
36.
Wie is dit?
a)
Otzi
b)
Beatrix
c)
Aletta Jacobs
d)
Mega Mindy
37.
Wie is dit?
a)
Stalin
b)
Mandela
c)
Thorbecke
d)
Kennedy
38.
Wie is dit?
a)
Otzi
b)
Toetanchamon
c)
Hitler
d)
Karel de Grote
Reset
