NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsTA SR 1-1
Total questions: 9
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
Hoe is de pH van het menselijk bloed?
a)
neutraal
b)
licht zuur
c)
licht basisch
d)
laag
2.
Erythrocyten worden in de milt aangemaakt.
a)
juist
b)
fout
3.
Een kettingroker produceert meer EPO dan iemand die niet rookt?
a)
juist
b)
fout
4.
Tot welke groep leucocyten behoren de basofielen?
a)
neutrofielen
b)
monocyten
c)
granulocyten
d)
agranulocyten
5.
Welke cellen in het bloed leven het langst?
a)
erythrocyten
b)
trombocyten
c)
leucocyten
6.
Hoe lager de pH, hoe.........vrije waterstofionen in het bloed.
a)
minder
b)
meer
7.
Welk orgaan speelt een belangrijke rol bij de 3de fase van de hemostase?
a)
long
b)
nier
c)
milt
d)
lever
8.
Geef een synoniem voor het autonome zenuwstelsel.
a)
het willekeurig zenuwstelsel
b)
het onwillekeurig zenuwstelsel
c)
het orthosympatisch zenuwstelsel
d)
het parasympatisch zenuwstelsel
9.
Welke activiteit neemt af bij een bloeddrukdaling?
a)
de orthosympatische activiteit
b)
de parasympatische activiteit
Reset
