wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Goed gebekt taak 2t/m5

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Dat is een heet hangijzer.
a)
een gevaarlijke situatie
b)
een lastig, veelbesproken onderwerp
c)
een populair onderwerp
2.
Van kleur ...
a)
bijten
b)
gaan
c)
lopen
d)
verschieten
3.
Hem kun je wel devoot noemen. 
a)
apart
b)
platvloers
c)
vroom
d)
wijs
4.
In die boeken staat het cynisme centraal. 
a)
het verbitterde gevoel
b)
de spottende sfeer
c)
het gevoel van eeuwig geluk
5.
Die geestelijke leidt een ascetisch leven.
a)
onthoudt zich van genotsmiddelen e.d.
b)
stelt zijn leven in dienst van anderen
c)
heeft een somber, depressief bestaan
6.
Dat is inherent aan dat probleem.
a)
nauw verbonden
b)
verleidelijk
c)
voorwaardelijk
7.
Gods water over Gods akker laten ...
a)
gaan
b)
lopen
c)
sproeien
8.
We moeten nog een bedrag fourneren.
a)
ontvangen
b)
controleren
c)
storten
9.
Bevoegdheden overdragen.
a)
delegeren
b)
persisteren
c)
zwichten
10.
Dat is een retorische vraag.
a)
vraag waar niemand het antwoord op weet
b)
vraag die al eerder is gesteld
c)
vraag die als mededeling is bedoeld
11.
De minister laat een proefballon op.
a)
laat een idee horen om de reacties te peilen
b)
opent een festiviteit
c)
doet krasse uitspraken
12.
Opnieuw een misdrijf begaan.
a)
raffineren
b)
recidiveren
c)
verdisconteren
13.
Dat is een contradictio in terminis.
a)
onoverbrugbare tegenstelling
b)
grove belediging
c)
gebruik van tegenstrijdige woorden
14.
Iemand die aan de deur verkoopt.
a)
buddy
b)
colporteur
c)
mecenas
15.
Een taalgeleerde.
a)
etnoloog
b)
linguïst
c)
purist
16.
De kont tegen de krib ...
a)
gooien
b)
hebben
c)
laden
17.
Wil jij het spits ...
a)
afbijten?
b)
bepalen?
c)
schoppen?
18.
Het schip ingaan.
a)
een lange reis maken
b)
min of meer stiekem vertrekken
c)
een financiële strop hebben
19.
Wil jij de honneurs waarnemen?
a)
als vervanger de plichten vervullen
b)
goed letten op ongewenste personen
c)
met de eer strijken
20.
Die vrouw heeft haar op haar tanden.
a)
ziet er onverzorgd uit
b)
is een bazig type
c)
heeft een mannelijke uitstraling
21.
Na ampele ...
a)
beraad
b)
nadenken
c)
overwegingen
22.
Apparaat dat de luchtvochtigheid meet.
a)
barometer
b)
hygrometer
c)
seismograaf
23.
Apparaat dat de stroomsnelheid van rivieren meet.
a)
fluviometer
b)
parameter
c)
oscillograaf
24.
Over iets in het ... tasten.
a)
donker
b)
duister
c)
onbekende
25.
Man en ... noemen.
a)
hond
b)
kat
c)
paard
d)
wolf
26.
Het gouden ... aanbidden.
a)
aambeeld
b)
geld
c)
kalf
27.
Hij leest de krant altijd te hooi en te gras.
a)
willekeurig; dan dit, dan dat
b)
grondig
c)
volgens vaste patronen
28.
Tussen twee vuren ...
a)
balanceren
b)
lopen
c)
zitten
29.
Dat idee blijkt een doodgeboren kindje te zijn.
a)
iets waar al eerder over gesproken is
b)
iets wat geen kans van slagen heeft
c)
iets wat te laat gelanceerd wordt
30.
Voor stoelen en banken ...
a)
opdagen
b)
preken
c)
staan