Worksheetspolitieke partijen 4 mavo intro
Total questions: 31
Worksheet time: 19mins
Name
Class
Date
1.
Nederlands is een democratie. Daarmee bedoelen we:
a)
Iedereen mag zich met de politiek bemoeien.
b)
Iedereen mag stemmen.
c)
Beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen.
d)
Iedere Nederlander van 18 jaar of ouder heeft op een of andere manier invloed op de politiek.
2.
In Nederland heeft iedereen recht op vrijdheid van meningsuiting. Dat wil zeggen:
a)
Je mag zeggen wat je denkt.
b)
Je mag binnenhuis zeggen wat je denkt.
c)
Je mag buitenshuis zeggen wat je denkt.
d)
Je mag jouw mening in elke krant publiceren
3.
De 'baas'van Nederland is
a)
De koning
b)
Minister-president Mark Rutte
c)
De eerste en tweede kamer
d)
De ministerraad
4.
De voornaamste taak van de koning is:
a)
Het ondertekenen van de wetten.
b)
Het openen van gebouwen.
c)
Het vertegenwoordigen van Nederland en Nederlandse bedrijven in het buitenland.
d)
Het vieren van zijn verjaardag in het land
5.
Wanneer we praten over de oppositie bedoelen we daarmee:
a)
De partijen die regeren
b)
De partijen die niet regeren
c)
De partijen die willen regeren maar dat nog niet doen.
d)
De partijen die geregeerd hebben.
6.
Wanneer je invloed wilt uitoefenen op de regering kun je:
a)
Een brief schrijven naar jouw politieke partij.
b)
Demonstreren.
c)
Een eigen partij oprichten
d)
Alles wat genoemd is.
7.
Nederlands is een democratie. Daarmee bedoelen we:
a)
Iedereen mag zich met de politiek bemoeien.
b)
Iedereen mag stemmen.
c)
Beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen.
d)
Iedere Nederlander van 18 jaar of ouder heeft op een of andere manier invloed op de politiek.
8.
Boven de 18 jaar mag je stemmen. Je mag echter niet stemmen wanneer:
a)
Je in de gevangenis zit.
b)
Je overtredingen begaan hebt
c)
Je geen baan hebt.
d)
Je in het buitenland woont.
9.
De landelijke verkiezingen vinden in principe plaats:
a)
Iedere 3 jaar
b)
Iedere 4 jaar
c)
Iedere 2 jaar
d)
Ieder jaar
10.
Een land waar niet de koning of koningin aan het hoofd staat maar een president, noem je een;
a)
Totalitaire staat
b)
Prinsdom
c)
Republiek
d)
Anarchie
11.
In een dictatuur hebben mensen...
a)
Veel vrijheid
b)
Veel rechten
c)
Stemrecht
d)
Geen vrijheid
12.
Wie nemen in ons de land de belangrijke beslissingen?
a)
De koning en koningin
b)
Alle nederlanders
c)
Politici
d)
Ambtenaren
13.
Wie hebben er de macht in een democratie?
a)
Politici die door de mensen zijn gekozen
b)
De koning en koningin
c)
De president
d)
Het leger
14.
Wie controleert of de ministers hun werk goed doen?
a)
De koning
b)
De politie
c)
De Tweede Kamer
d)
De gemeenteraad
15.
Als iets van algemeen belang is...
a)
hebben veel mensen er wat aan
b)
heb ik er wat aan
c)
heeft niemand er wat aan
d)
heeft iedereen er wat aan
16.
Linkse partijen willen dat de regering
a)
zorgt voor veel wegen
b)
mensen die het moeilijk hebben helpt
c)
vluchtelingen wegstuurt
d)
mensen dingen zelf laat regelen
17.
Een land waar de overheid de burgers helpt als het nodig is noemen we,....
a)
Een maatschappelijke plicht
b)
Politieke betrokkenheid
c)
Verzorgingsstaat
d)
Democratie
18.
Normen zijn uitgangspunten die je belangrijkt vindt in het leven
a)
Waar
b)
Niet waar
19.
Wat zijn confessionele partijen?
a)
Partijen die hun ideeën uit de bijbel halen
b)
Partijen die opkomen voor arbeiders
c)
Partijen die opkomen voor vrouwen
d)
Partijen die opkomen voor dierenwelzijn
20.
Een voorbeeld van een confessionele partij is
a)
Christen Unie
b)
VVD
c)
PVDA
d)
SP
21.
Abraham Kuyper was een:
a)
Feminist
b)
Confessioneel
c)
Liberaal
d)
Socialist
22.
De eerste politieke partij in Nederland was:
a)
De SDAP
b)
De liberale Unie
c)
De ARP
d)
Het CDA
23.
De schoolstrijd ging over
a)
De strijd van socialisten om algemeen kiesrecht
b)
De strijd van liberalen om algemeen kiesrecht tegen te houden
c)
De strijd van socialisten om te zorgen dat ook arme kinderen naar school konden
d)
De strijd van confessionelen om eigen scholen betaald door overheid
24.
Socialisten kwamen in de 19e en 20e eeuw vooral op voor:
a)
Arbeiders
b)
Vrouwen
c)
Rijke mensen
d)
Christenen
25.
Een socialistische partij tegenwoord is:
a)
De SP
b)
VVD
c)
D'66
d)
SGP
26.
Bij welke politieke stroming hoort deze afbeelding?
a)
Feminisme
b)
Socialisme
c)
Confessionelen
d)
Liberalen
27.
Nederland is een democratie sinds:
a)
1815
b)
1848
c)
1917
d)
1919
28.
Deze afbeelding gaat over:
a)
Socialisme
b)
Feminisme
c)
Liberalen
d)
Confessionelen
29.
Deze afbeelding heeft te maken met de:
a)
Feministen
b)
Liberalen
c)
Confessionelen
d)
Socialisten
30.
Deze afbeelding hoort bij:
a)
Verzuiling
b)
Schoolstrijd
c)
Algemeen kiesrecht
d)
Democratie
31.
Troelstra was:
a)
Een liberaal
b)
Een socialist
c)
Een confessioneel
d)
Een feminist
100 %
