NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsH4 Arm en rijk
Total questions: 14
Worksheet time: 7mins
Name
Class
Date
1.
Wat is het bnp per hoofd van de bevolking?
a)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten van een land gedeeld door de beroepsbevolking.
b)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van een land.
c)
Het bnp/hoofd is alle inkomsten gedeeld door alle mensen die in een land wonen.
d)
Het bnp/hoofd is het gemiddeld inkomen van de beroepsbevolking.
2.
Beoordeel de volgende stellingen. Welke is juist?
I De hoogte van het analfabetisme zegt iets over het welzijn in een land.
II Het percentage mensen dat in de landbouw werkt, zegt iets over de welvaart in een land.
I De hoogte van het analfabetisme zegt iets over het welzijn in een land.
II Het percentage mensen dat in de landbouw werkt, zegt iets over de welvaart in een land.
a)
Alleen I is juist.
b)
Alleen II is juist.
c)
Beide zijn juist.
d)
Beide zijn onjuist.
3.
Hieronder staan vier omschrijvingen van de economie van landen. Welk land behoort tot de semiperiferie?
a)
De productiviteit per persoon is hoog en de tertiaire sector is erg belangrijk.
b)
De productiviteit per persoon stijgt en een steeds groter deel van de beroepsbevolking werkt in de secundaire sector.
c)
De productiviteit is laag en de primaire sector speelt een belangrijke rol in het land.
d)
De productiviteit stijgt, maar het merendeel van de mensen werkt nog in de primaire sector.
4.
Gebieden profiteren niet allemaal evenveel van de globalisering. Welk gebied zal nauwelijks profiteren?
a)
Het gebied dat behoort tot de semiperiferie en goed bereikbaar is.
b)
Het gebied dat behoort tot de periferie en nauwelijks beschikt over grondstoffen.
c)
Het gebied dat ligt in het centrum van een rijk westers land.
d)
Het gebied dat ligt ten zuiden van de Sahara en beschikt over veel grondstoffen.
5.
Abena woont in Ghana. Ze is twaalf, gaat niet naar school en verkoopt sandwiches die haar moeder heeft gemaakt op straat.Welke uitspraak is juist?
a)
Dit meisje werkt in de formele sector als verkoopster.
b)
Dit meisjes werkt in de informele sector, zij heeft geen vast inkomsten.
c)
Dit meisje werkt in de informele sector en verdient een vast salaris.
d)
Dit meisje werkt in de formele sector, haar inkomsten wisselen per dag.
6.
Welke soort ongelijkheid kan je op een kaart afbeelden?
a)
Sociale ongelijkheid
b)
Regionale ongelijkheid
c)
Geen van beide
d)
Allebei
7.
Noem een nadeel van het bnp/hoofd
a)
De verschillende muntsoorten maken vergelijken lastig.
b)
Dit geeft niet aan of er grote verschillen in welvaart zijn.
c)
Landen met veel inwoners zullen een hoger bnp/hoofd hebben
8.
Welke uitspraak is juist?
a)
Door de informele sector valt het bnp/hoofd hoger uit
b)
Door de informele sector valt het bnp/hoofd lager uit
9.
Welke factor speelt GEEN directe rol bij de bepaling van de VN-welzijnsindex?
a)
de voedselsituatie
b)
de koopkracht
c)
de levensverwachting
d)
de alfabetiseringsgraad
10.
In de periferie is de alfabetiseringsgraad onder meisjes lager dan onder jongens. Oorzaken hiervoor zijn:
a)
Schoolkosten voor meisjes zijn gemiddeld hoger dan voor jongens.
b)
Meisjes leveren een belangrijke bijdrage aan de oudedagsvoorziening van de ouders.
c)
Meisjes krijgen al op jongere leeftijd kinderen.
d)
Meisjes worden thuisgehouden om mee te helpen in het huishouden.
11.
Wat voor soort product zie je op de afbeelding?
a)
Grondstof
b)
Halffabricaat
c)
Eindproduct
12.
Waarvoor staat de afkorting MNO?
a)
Meer Nederlandse Organisaties
b)
Minder Nederlandse Organisatie
c)
Multinationale organisatie
d)
Multinationale onderneming
13.
In welke sector werken de man op de foto?
a)
Primaire sector
b)
Secundaire sector
c)
Tertiaire sector
d)
Informele sector
14.
Welk van onderstaande landen is geen BRIC-land
a)
Brazilië
b)
Rusland
c)
Indonesië
d)
China
Reset
