wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen h1 + h2

Total questions: 47

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
De belangrijkste zin van de alinea heet een kernzin. Waar vind je die meestal?
a)
Dit is vaak de eerste zin.
b)
Dit is vaak de tweede zin.
c)
Dit is vaak de laatste zin.
d)
Dit is vaak de 1e of de laatste zin.
2.
Een tekst kan je verdelen in ... delen.
a)
2
b)
3
c)
4
3.
De inleiding van een tekst is bedoeld om aandacht te trekken. Welke andere functies kan een inleiding nog meer hebben?
a)
onderwerp noemen, mening geven, conclusie geven
b)
onderwerp noemen, mening geven, vraag stellen
c)
samenvatting geven, mening geven, vraag stellen
4.
Welk signaalwoord hoort niet bij een opsommend verband?
a)
maar
b)
tevens
c)
daarnaast
d)
ten eerste
5.
Van welk verband is hier sprake?
Net als mijn opa, houd ik erg van tennis.
a)
Opsommend
b)
Chronologisch
c)
Toelichtend
d)
Vergelijkend
6.
Van welk verband is hier sprake?
Ondanks dat hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.
a)
Toegevend
b)
Vergelijkend
c)
Tegenstellend
d)
Chronologisch
7.
verband: opsommend
a)
ook
b)
maar
c)
eerst
d)
doordat
8.
verband: tegenstelling
a)
maar
b)
tevens
c)
dan
d)
als
9.
verband: chronologisch
a)
voordat
b)
waarmee
c)
dus
d)
concluderend
10.
verband: vergelijking
a)
net zo als
b)
want
c)
namelijk
d)
eerst
11.
verband: conclusie
a)
dat betekent
b)
hoewel
c)
indien
d)
nadat
12.
Wat is het onderwerp van een tekst?
a)
In één volledige zin waar de tekst over gaat.
b)
In één of enkele woorden waar de tekst over gaat. 
c)
De titel van de tekst.
d)
De kernzin uit de inleiding.
13.
Welke uitspraak is WAAR over deelonderwerpen?
a)
Om deelonderwerpen te vinden lees je een tekst oriënterend.
b)
In elke alinea staat een deelonderwerp.
c)
De deelonderwerpen vind je in het middenstuk van een tekst.
d)
Deelonderwerpen zijn hetzelfde als tussenkopjes.
14.
Wat doe je als je een tekst globaal leest?
a)
Je bekijkt de tekst en je leest de eerste alinea. 
b)
Je leest de tekst van begin tot eind helemaal door.
c)
Je scant de tekst om achter bepaalde informatie te komen.
d)
Je leest de eerste en de laatste zin van elke alinea. 
15.
Hoe lees je als je het onderwerp van een tekst wilt vinden?
a)
Globaal
b)
Oriënterend
c)
Precies
d)
Zoekend
16.
Wat is NIET WAAR over de hoofdgedachte van een tekst?
a)
De hoofdgedachte van een tekst is één volledige zin, die samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt. 
b)
De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: wat is het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp wordt gezegd?
c)
Om te bepalen wat de hoofdgedachte van een tekst is, moet je de tekst precies lezen.
d)
Vaak vind je de hoofdgedachte in het middenstuk van een tekst.
17.
Wat is een tussenkopje?
a)
De titel van een alinea.
b)
De witregel tussen twee alinea's in.
c)
Het deelonderwerp van een alinea.
d)
Het kernwoord van een alinea.
18.
Hoe beschrijf je de hoofdgedachte van een tekst?
a)
In één zin
b)
Met één of een paar woorden
c)
Met één woord
d)
niet
19.
Om het onderwerp van een tekst te weten moet je de hele tekst hebben gelezen.
a)
Juist
b)
Onjuist
20.
Om de hoofdgedachte van een tekst te kunnen opschrijven moet je de hele tekst hebben gelezen.
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Wat is de bron van deze tekst?
a)
De Telegraaf
b)
De Volkskrant
c)
Nu.nl
d)
Het Noord-Hollands dagblad
22.
Iets op je duimpje kennen
a)
Iets uit je hoofd weten
b)
Iets steeds vergeten
c)
Last van je vinger hebben
23.
Een appeltje voor de dorst hebben
a)
Iets extra's hebben voor tijden van nood
b)
iets te eten bij je hebben
c)
je best doen
24.
Je ogen goed de kost geven
a)
goed om je heen kijken
b)
Je hebt veel honger (kost)
c)
Er zit een korst op je ogen
25.
Je tanden in iets zetten
a)
Je vastbijten in een probleem
b)
Een probleem oplossen
c)
Je zit vast aan de beugel van een ander
26.
Op je teentjes getrapt zijn.
a)
beledigd zijn
b)
vrolijk zijn
c)
Iemand staat op je voeten
27.
Niet op je achterhoofd gevallen zijn
a)
Een goed verstand hebben
b)
Pijn aan je voorhoofd
c)
Dom zijn
28.
Het achter je ellebogen hebben
a)
stiekem zijn
b)
eerlijk zijn
c)
Er staat iemand achter je
29.
Je beste beentje voorzetten
a)
Je best doen
b)
Niet je best doen
c)
Je bent rechtsbenig en niet links
30.
Iets het hoofd bieden
a)
Niet bang zijn
b)
Angstig zijn
c)
Je hoofd verkopen in plaats voor veel geld
31.
Je mond voorbij praten
a)
Een geheim verklappen
b)
Iets goed voor je kunnen houden
c)
De volgende is aan de beurt
32.
Wat is een synoniem?
a)
Ander woord met dezelfde betekenis
b)
Ander woord met een andere betekenis
c)
tegenovergestelde
33.
bijvoorbeeld, zoals, neem nou en denk aan.....zijn.......
a)
signaalwoorden
b)
bijwoorden
c)
kernzinnen
34.
Hoe citeer je?
a)
Regelnummers eerst.
b)
Eerste twee woorden eerst.
35.
Je kunt een tekst in drieën delen. Welk antwoord is één van die drie delen?
a)
Inleiding
b)
Samenvatting
c)
Hoofdgedachte
d)
Onderwerp
36.
In de inleiding van een tekst wordt bijna altijd het onderwerp genoemd. Naast het onderwerp wordt ook .... (vul aan) Welke is niet goed?
a)
de aanleiding voor het schrijven van de tekst genoemd.
b)
een voorbeeld bij het onderwerp gegeven.
c)
een belangrijke vraag gesteld.
d)
gevraagd naar het onderwerp van de tekst
37.
In het middenstuk van een tekst staan de ... Welk antwoord is goed?
a)
de grappige voorvallen
b)
deelonderwerpen
c)
de dingen die je geregeld wilt hebben.
d)
de aanhef
38.
Als iemand een brief stuurt naar de redactie van Nu.nl waarin hij zijn mening geeft over een artikel op de website, wat wil hij dan bereiken (wat is zijn doel)?
a)
Adviseren
b)
Overtuigen
c)
Amuseren
d)
Informeren
39.
Wat is het schrijfdoel van een recensie? 
a)
overtuigen
b)
amuseren
c)
informeren
d)
activeren
40.
Wat is het schrijfdoel van een stripverhaal?
a)
amuseren
b)
instrueren
c)
overtuigen
d)
activeren
41.
Welke tekstsoort hoort bij overtuigen?
a)
advertentie
b)
strip
c)
ingezonden brief
d)
recept
42.
Welk tekstdoel heeft een strip?
a)
informeren
b)
tot handelen aanzetten
c)
waarschuwen
d)
amuseren
43.
Welk tekstdoel heeft een handleiding?
a)
amuseren
b)
instrueren
c)
overtuigen
d)
informeren
44.
Welk tekstdoel heeft een (nieuws)artikel?
a)
informeren
b)
adviseren
c)
waarschuwen
d)
tot handelen aanzetten
45.
De mensen voor wie een tekst is geschreven, noem je ....
a)
het publiek
b)
de mensen
c)
de schrijver
d)
de lezer
46.
Informeren, overtuigen, activeren en amuseren zijn voorbeelden van ...
a)
tekstdoelen
b)
tekstsoorten
47.
kernachtige omschrijving van een tekst of tekstgedeelte in één zin
a)
hoofdgedachte
b)
onderwerp
c)
samenvatting
d)
middenstuk