wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basis Marketing tussentijds

Total questions: 34

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.
Maar staat MVO voor?
a)
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
b)
Maatschappij Voor Onderwijs
c)
Maatschappelijk Voortgezet Onderwijs
d)
Mensen Veiligheid Ondernemen
2.
Wat is de juiste volgorde van de concepten van oud naar nieuw?
a)
Productie > Product > Verkoop > Marketing
b)
Product > Productie > Verkoop > Marketing
c)
Marketing > Verkoop > Product > Productie
d)
Productie > Product > Marketing > Verkoop
3.
Het verschil tussen productconcept en productieconcept is..
a)
Bij productieconcept ligt nadruk op product kwaliteit
b)
Bij productconcept ligt nadrukt op goedkoop produceren
c)
Bij productieconcept ligt nadrukt op goedkoop produceren
4.
Welke stelling over convenience goods is juist?
a)
Convenience goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor convenience goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor convenience goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
5.
Wat is de beste omschrijving van marketing?
a)
Producten verkopen
b)
Producten in de markt zetten
c)
Reclame maken
d)
Producten aanpassen aan de behoeften v/d klant.
6.
Een voorbeeld van shopping goods is:
a)
drop
b)
kleding
c)
auto
d)
huis
7.
Welke stelling over specialty goods is juist?
a)
specialty goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor specialty goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor specialty goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
8.
Het verschil tussen de visie en de missie van een bedrijf is:
a)
visie is gericht op het heden. Missie niet.
b)
De missie bespreekt de volledige marketing mix, de visie niet.
c)
De visie is gericht op de toekomst, de missie op het heden.
d)
Er is geen verschil.
9.
Bij het succesvol toepassen van de marketing mix op een bedrijf geldt het volgende:
a)
Prijs, Product, Plaats, Prijs en Personeel moet een samenhangend geheel vormen.
b)
Prijs, Product, Plaats, Prijs en Personeel mogen los van elkaar toegepast worden.
10.
Het beste voorbeeld van convenience goods is:
a)
sigaretten
b)
sieraden
c)
auto
d)
laptop
11.
Welke stelling over shopping goods is juist?
a)
shopping goods moeten makkelijk / overal verkrijgbaar zijn.
b)
Voor shopping goods wil de consument extra moeite doen om het product te kopen.
c)
Voor shopping goods doet de consument uitgebreid onderzoek voor aankoop.
d)
Geen van de overige antwoorden is juist.
12.
Wat wordt bedoeld met "Plaats" in de marketing mix? Kies het beste juiste antwoord.
a)
vestigingsplaats van het bedrijf
b)
vestigingsplaats + distributiekanaal
c)
distributiekanaal
d)
de plaats waar producten geleverd moeten worden
13.
Een voorbeeld van specialty goods is:
a)
Drop
b)
Kleding
c)
Auto
d)
McDonalds
14.
Wat is geen onderdeel van de marketing mix?
a)
Productie
b)
Plaats
c)
Prijs
d)
Personeel
15.
De promotiemix bestaat onder andere uit: 
a)
Product - Plaats - Promotie - Prijs
b)
Kwaliteit - merk - garantie - verpakking
c)
PR - Sponsoring - direct marketing - sales promotions
d)
Product - Plaats - Promotie - Prijs -Personeel
16.
Een bedrijf specialiseert zich in sales promotions. Hier is sprake van het ... :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal marketingconcept
c)
Verkoopconcept
d)
Productconcept
17.
Een bedrijf koopt geen producten gemaakt met kinderarbeid. Hier is sprake van .. :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal marketingconcept
c)
Verkoopconcept
d)
Productieconcept
18.
Een bedrijf specialiseert zich in goedkope productie en distributie. Hier is sprake van .. :
a)
Marketingconcept
b)
Sociaal Marketingconcept
c)
Productconcept
d)
Productieconcept
19.
Een bedrijf stelt behoeften van de consument centraal. Hier is sprake van het ... :
a)
Marketingconcept
b)
Productconcept
c)
Productieconcept
d)
Verkoopconcept
20.
Welke P wordt gezien als de belangrijkste bij Dienstenmarketing?
a)
Product
b)
Personeel
c)
Prijs
d)
Plaats
21.
Als je op insta door je tijdlijn scrollt, herinner je je achteraf maar een beperkt aantal foto's. Dit heet:
a)
Selectieve perceptie
b)
Selectieve blootstelling
c)
Selectieve interpretatie
d)
Selectieve aandacht
22.
Na het lezen van een nieuwsbericht kan jij een ander beeld hebben van wat er is gebeurd dan je buurman. Dit heet:
a)
Selectieve perceptie
b)
Selectieve blootstelling
c)
Selectieve interpretatie
d)
Selectieve aandacht
23.
Ik weet dat ik een fiets wil kopen, maar ik twijfel nog over het aantal versnellingen. Dit is:
a)
Behoefteconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Merkconcurrentie
d)
Productsoortconcurrentie
24.
Ik twijfel of ik mijn geld deze zomer wil uitgeven aan een vakantie op Salou of aan m'n eerste eigen auto. Dit is:
a)
Behoefteconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Merkconcurrentie
d)
Productsoortconcurrentie
25.
Ik moet elke dag een stuk reizen naar school. Daarbij twijfel ik nog of ik een scooter koop, een elektrische fiets of dat ik met de tram ga. Dit is:
a)
Behoefteconcurrentie
b)
Generieke concurrentie
c)
Merkconcurrentie
d)
Productsoortconcurrentie
26.
De wekelijkse vismarkt in Leiden is een voorbeeld van:
a)
Een abstracte markt
b)
Een concrete markt
27.
Als er in heel Nederland in 2016 20% meer horloges zijn verkocht, dan hebben we het over:
a)
Een abstracte markt
b)
Een concrete markt
28.
Met het 5 krachten model van Porter kan ik:
a)
Mijn verkoopprijs bepalen
b)
De aantrekkelijkheid van de markt bepalen
c)
Mijn missie en visie bepalen
d)
De core en auxiliary service bepalen
29.
Productindeling: Een toegevoegde eigenschap van een pak gevulde koeken is:
a)
De zachte vulling
b)
Het percentage boter
c)
Het goede gevoel na het eten
d)
Het mooie etiket
30.
Productindeling: Een afgeleide eigenschap van een brakka van Balmain is:
a)
De goede kwaliteit stof
b)
De stoere uitstraling
c)
De mooie kleur
d)
Het labeltje met de prijs
31.
Een pak fairtrade koffie is:
a)
Een duurzaam consumptiegoed
b)
Een niet-duurzaam consumptiegoed
32.
Als ik mijn prijs ga bepalen door te kijken wat mijn buren voor hetzelfde product vragen dan hanteer ik:
a)
Kostengeoriënteerde methode
b)
Concurrentiegeoriënteerde methode
c)
Vraag georiënteerde prijsstelling
33.
Als ik mijn prijs ga bepalen door alle kosten bij elkaar op te tellen plus winst dan hanteer ik:
a)
Kostengeoriënteerde methode
b)
Concurrentiegeoriënteerde methode
c)
Vraag georiënteerde prijsstelling
34.
Als ik mijn prijs ga bepalen door te kijken naar de exclusiviteit van mijn producten dan hanteer ik:
a)
Kostengeoriënteerde methode
b)
Concurrentiegeoriënteerde methode
c)
Vraag georiënteerde prijsstelling