wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Proefwerk H1

Total questions: 21

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
Een verhaal dat verzonnen is, maar wel realistisch is een:
a)
Biografie
b)
Niet-realistisch
c)
Non-fictie
d)
Realistisch
2.
Wat is de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Waar de tekst over gaat
b)
Het onderwerp van een alinea
c)
Wat de schrijver met de tekst wil zeggen
3.
Wat zijn deelonderwerpen?
a)
Onderwerpen die je in stukken kunt delen.
b)
De onderwerpen bij de verschillende alinea's.
c)
Wat de schrijver wil zeggen over de tekst.
4.
Het onderwerp van een tekst kun je aangeven in:
a)
Een alinea
b)
Eén woord of een korte zin.
c)
Een heel verhaal.
5.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
6.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
7.
De samenstelling van de woorden druif + sap wordt:
a)
druivensap
b)
druifsap
c)
druivesap
8.
De samenstelling van de woorden beest + benden wordt:
a)
Beestesbende
b)
Beestebende
c)
Beestenbende
9.
een samenstelling is
a)
een combinatie van twee of meer woorden die ook los kunnen voorkomen
b)
een combinatie van twee of meer woorden die niet los kunnen voorkomen
c)
geen combinatie van woorden die los kunnen voorkomen
10.
De bange jongen / hoorde / een vreemd geluid / op de zolder van het huis.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
11.
De antieke televisie van mijn ouders / is / nu / helemaal kapot.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
12.
Met veel inspanning / kon / de keeper van het voetbalelftal / een doelpunt  voorkomen.
a)
Goed verdeeld
b)
Fout verdeeld
13.
Ik help jou altijd op vrijdag.
a)
ik
b)
help
c)
jou
d)
op vrijdag
14.
Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?
a)
de honden
b)
vandaag
c)
nog
d)
ga
15.
Hoe vind je de persoonsvorm van een zin?
a)
Het is het eerste woord van een zin.
b)
Door te vragen waar het over gaat.
c)
Door de zin vragend te maken. Het is dan meestal het woord dat vooraan staat.
d)
Door te vragen wie + het onderwerp
16.
Wat is in deze zin het werkwoordelijk gezegde?
Brandweermannen hebben een peuter gered uit een brandende schuur. 
a)
Brandweermannen
b)
hebben
c)
hebben gered
d)
een brandende schuur
17.
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de deze zin?
Heb jij die spijkerbroek van je moeder gekregen?
a)
Heb
b)
die spijkerbroek
c)
heb gekregen
d)
gekregen
18.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).Je broer (vermijden) ........... eten.
a)
vermijd
b)
vermeed
c)
vermijt
d)
vermijdt
19.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).(braden) .............. jij alvast de hamburgers?
a)
braai
b)
braadt
c)
braad
d)
berad
20.
Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in (PVTT).Zijn baas (communiceren) ......... niet erg duidelijk.
a)
communiceerd
b)
communiceerdt
c)
communiceert
d)
communiceertt
21.
Welke schrijfwijze is juist?
a)
Die film is saai er gebeurt te weinig!
b)
Die film is saai, er gebeurt te weinig!
c)
Die film is saai, er gebeurt te weinig.