WorksheetsSpelling 4
Total questions: 10
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
... je broer nog steeds postzegels?
a)
Verzamel
b)
Verzameld
c)
Verzamelt
d)
Verzamelend
2.
Tegenwoordig ... men het vlees vaker in olie.
a)
braden
b)
braadden
c)
braad
d)
braadt
3.
Men heeft de verdiensten van die man jarenlang ...
a)
miskennend
b)
miskend
c)
miskent
d)
miskende
4.
Onze keeper heeft het doel uitstekend ...
a)
verdedigd
b)
verdedigt
5.
Waarom .... je met de waarheid niet? Je ... me maar wat op de mouw.
a)
vertel, spelde
b)
vertelte, spelde
c)
vertelde, spelde
d)
vertelde, speldde
6.
Het is verstandig dat hij zijn huis ....
a)
verzekeren
b)
verzekert
c)
verzekerd
d)
verzekerend
7.
Wat ... toch dat geschreeuw? Wat ... daar?
a)
betekent, gebeurt
b)
betekend, gebeurd
c)
betekent, gebeurd
d)
betekend, gebeurt
8.
Toen de poes de tuin inkwam, ... de vogels de boom in.
a)
vlucht
b)
vluchtte
c)
vluchten
d)
vluchtten
9.
Als je zo vaak ..., moet je veel inhalen op school.
a)
verzuimt
b)
verzuimd
10.
Mijn baas .... alle kosten, als ik voor hem op reis ben.
a)
vergoeden
b)
vergoed
c)
vergoedt
100 %
