wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Atomen, elementen, fases

Total questions: 45

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Wat is het symbool voor Chloor?
a)
C
b)
Cl
c)
Clo
2.
Hoeveel atomen heeft deze molecule? H2O
a)
1
b)
3
c)
4
3.
Welk element heeft het symbool H?
a)
water
b)
waterstof
c)
Helium
4.
Wat is de naam van deze tabel?
a)
Tabel van Newton
b)
Tabel van Isaac
c)
Tabel van Mendeljev
5.
Wat is de naam van deze tabel?
a)
Tabel van Newton
b)
Tabel van Isaac
c)
Tabel van Mendeljev
6.
Elke reactie met zuurstof is een verbranding.
a)
Waar
b)
Niet waar
7.
Een explosie is een verbranding.
a)
Waar
b)
Niet waar
8.
Wat is het symbool voor waterstof
a)
W
b)
H2O
c)
H
9.
Wat is het symbool voor koolstof
a)
K
b)
Ko
c)
C
10.
  Welke stof wordt hierbij door middel van elektrolyse ontleed?
a)
suiker
b)
zout
c)
water
11.
Het binnenste van een atoom heet: 
a)
het elektron
b)
het energie niveau
c)
het octet
d)
de nucleus
12.
Wat is de chemische benaming voor zout?
a)
NaCl
b)
H20
c)
Fe
d)
Zo
13.
Waar of niet waar: een molecuul ontstaat als meerdere atomen met elkaar reageren.
a)
Waar
b)
Niet waar
14.
In dit plaatje zie je een molecuul
a)
Waar
b)
Niet waar
15.
Welk van de onderste 3 is het kleinst: 
a)
een cel
b)
een atoom
c)
een molecuul
16.
Dit plaatje laat een mengsel zien?
a)
Waar
b)
Niet Waar
17.
Is water een atoom of een molecuul?
a)
Atoom
b)
Molecuul
18.
Een atoom verliest elektronen. Wat voor lading krijgt dit atoom?
a)
Negatief
b)
Positief
19.
Het bevriezen van water (H2O) is een voorbeeld van een:
a)
Scheikundige verandering?
b)
Natuurkundige verandering
20.
Een atoom dat positief of negatief geladen is om het elektronen verloren is of kwijt is geraakt noemen we een: 
a)
Atom
b)
Isotoop
c)
Molecuul
d)
Ion
21.
Een atoom dat elektronen erbij krijgt wordt een _______________ geladen ion.
a)
Negatief
b)
Positief
22.
Het neutrale deeltje dat ontstaat als atomen met elkaar elektronen delen noemen we: 
a)
Een atoom
b)
Een molecule
c)
Een element
d)
Een pepernoot
23.
CH4 heeft: 
a)
1 Koolstof en 4 waterstof atomen
b)
4 Koolstof en 1 waterstof atomen
c)
4 Koolstof en 4 waterstof atomen
d)
4 rendieren en 1 Kerstman
24.
Het verbranden van hout is een voorbeeld van een chemische reactie?
a)
Waar
b)
Niet waar
25.
Het verbranden van hout is een voorbeeld van een reactie met zuurstof?
a)
Waar
b)
Niet waar
26.
ijsklontjes in een glas cola op een terras
a)
bevriezen
b)
verdampen
c)
smelten
d)
condenseren
27.
water in een plas als de temperatuur onder 0 komt
a)
rijpen
b)
smelten
c)
condenseren
d)
bevriezen
28.
zeep wat je ruikt in een zeepbakje
a)
smelten
b)
vervluchtigen
c)
verdampen
d)
stollen
29.
het wit wat ontstaat op bomen tijdens een koude winternacht
a)
rijpen
b)
bevriezen
c)
stollen
d)
smelten
30.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
31.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
32.
kaarsvet wordt vloeibaar tijdens het branden van een kaars
a)
stollen
b)
smelten
c)
verdampen
d)
bevriezen
33.
maken van ijsklontjes in de vriezer
a)
verdampen
b)
bevriezen
c)
rijpen
d)
vervluchtigen
34.
sneeuw wat verdwijnt in de regen
a)
stollen
b)
vervluchtigen
c)
smelten
d)
verdampen
35.
de sneeuwlaag wordt dunner tijdens de vrieskou
a)
smelten
b)
stollen
c)
vervluchtigen
d)
bevriezen
36.
Het wasgoed in een droogtrommel
a)
verdampen
b)
condenseren
c)
rijpen
d)
vervluchtigen
37.
het gras is nat van de dauw
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
38.
benzine wat je ruikt tijdens het tanken
a)
verdampen
b)
vervluchtigen
c)
condenseren
d)
rijpen
39.
de straat droogt op na een regenbui
a)
smelten
b)
verdampen
c)
condenseren
d)
vervluchtigen
40.
ramen beslaan in een volle bus
a)
condenseren
b)
verdampen
c)
smelten
d)
rijpen
41.
gassen kunnen......
a)
verdampen en smelten
b)
condenseren en smelten
c)
condenseren en rijpen
d)
stollen en rijpen
42.
vaste stoffen kunnen .......
a)
smelten en vervluchtigen
b)
smelten en stollen
c)
stollen en vervluchtigen
d)
vervluchtigen en rijpen
43.
vloeistoffen kunnen....
a)
verdampen en stollen
b)
verdampen en condenseren
c)
condenseren en vervluchtigen
d)
smelten en rijpen
44.
er zijn drie fasen van stoffen. hoeveel faseovergangen kennen we
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6
45.
Wie heeft er gelijk?
a)
Liv
b)
Johan
c)
Bram