WorksheetsMet taal en de haal
Total questions: 35
Worksheet time: 19mins
Name
Class
Date
1.
Als je goed kijkt, zie je dat deze afbeelding niet echt klopt. Hoe noem je zo een afbeelding?
a)
Een promotie
b)
Een illusie
c)
Een illusionist
d)
Een visie
2.
Peter is altijd rationeel in zijn beslissingen.
a)
Zijn hart volgen
b)
Te veel denken
c)
Niet nadenken
d)
Hij maakt keuzes met zijn verstand
3.
Een woordspeling is ...
a)
hoe je iets juist moet schrijven.
b)
Een spelletje met worden
c)
Een grapje met woorden
d)
Erg veel woorden in een zin.
4.
Lolle vond een erg leuk onderkomen.
a)
Een fancy hotel
b)
Een plek om in te wonen
c)
Een deken om onder te schuilen
d)
Een schouder om op te huilen.
5.
Piet maakte een hartverscheurende keuze.
a)
Een moeilijke keuze waar je verdrietig van wordt.
b)
Een keuze vanuit je hart.
c)
Een slechte keuze.
d)
Een keuze die geen keuze is.
6.
De man moest wijken voor de politie.
a)
Aan de kant gaan..
b)
Verhuizen uit de wijk.
c)
Iedereen verzamelen.
d)
Wapperen met de armen.
7.
De jongen berustte zich in het feit dat hij het jaar moet overdoen.
a)
Accepteerde
b)
vocht ertegen
c)
Vond het onzin
d)
Vond eindelijk rust
8.
Aanvankelijk, was ze erg sterk in rekenen.
a)
Op het einde
b)
In het midden
c)
In het begin
d)
Ter verandering
9.
De beer veranderde zijn gedrag gaandeweg.
a)
Weggaan
b)
Langzamerhand
c)
Onderweg
d)
Tijdens het wandelen
10.
Hij verzon een slim plan om zijn doel te bereiken.
a)
Een loeier
b)
Een fille
c)
Een val
d)
Een list
11.
De fille zorgde ervoor dat het verkeer ontzettend moeilijk werd.
a)
Gemoeilijkt
b)
Moeilijkmakend
c)
Vermoeilijkt
d)
Bemoeilijkt
12.
Jean Claude lachte met Flannard en werd nooit meer voor vol aanzien.
a)
Serieus nemen
b)
Zich dik maken in iets
c)
Kijken hoe het gaat
d)
Een een rare manier naar iemand kijken
13.
De kok maakte er echt een potje van.
a)
Iets lekkers koken
b)
Iets helemaal verknoeien
c)
Dronken zijn
d)
Boven de kookpotten hangen
14.
De vrouw werd door schade en schande wijs.
a)
Leren van je fouten en mislukkingen
b)
Erg domme dingen doen
c)
Veel schande maken
d)
Je nergens iets van aantrekken
15.
De man ziet haar graag
a)
gaar
b)
gaarne
c)
graan
d)
geraan
16.
Heden, verloopt een lesdag heel anders.
a)
Vroeger
b)
Nu
c)
Morgen
d)
Een tijd geleden
17.
Hij werd tevens van school gestuurd.
a)
trouwens
b)
niet
c)
ook
d)
na veel overleg
18.
Hij had afgesproken met zijn vriendje. Echter kwam ze haar afspraak niet na.
a)
Vervolgens
b)
Immers
c)
Maar
d)
Nooit
19.
Ik heb mijn verzameling erg lief.
a)
Koesteren
b)
Kosteren
c)
Verlangen
d)
Boetseren
20.
Hij reageerde ontzettend intuïtief
a)
Op gevoel
b)
Zonder gevoel
c)
Na lang nadenken
d)
Hij naam veel initiatief
21.
Dit is een bijzonder fijnzinnig liedje.
a)
Ritmeloos
b)
Met veel gevoel
c)
Met veel zin voor ritme
d)
Gevoelloos
22.
Tijdens dat spelletje, ging hij geen poot meer verzetten.
a)
Volledig stilstaan
b)
Door de knieën
c)
Met veel beweging
23.
De man is naar huis gegaan.
a)
Onderwerp
b)
Gezegde
c)
Lijdend voorwerp
d)
Meewerkend voorwerp
24.
Raf wil zijn liefje een lekker geurtje geven.
a)
Onderwerp
b)
Gezegde
c)
Lijdend Voorwerp
d)
Meewerkend voorwerp
25.
Peter, Karel, John en Mop vertellen een goede mop.
a)
Onderwerp
b)
Meewerkend voorwerp
c)
Lijdend voorwerp
d)
Helemaal niets
26.
De man gaf zijn hart aan zijn geliefde
a)
Lijdend voorwerp
b)
Meewerkend voorwerp
c)
Onderwerp
d)
Gezegde
27.
Peter is een echte rommelmaker.
a)
Onderwerp
b)
Lijdend voorwerp
c)
Meewerkend voorwerp
d)
Gezegde
28.
Ze zijn alweer jaren gehuwd.
a)
intussen
b)
opnieuw
c)
eindelijk
d)
onmogelijk
29.
De grote man, springt van het grote huis.
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Gezegde
d)
Meewerkend voorwerp
30.
Ik ga op vakantie naar Parijs.
a)
Bijvoeglijk naamwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
gezegde
d)
onderwerp
31.
De man is zeer groot.
a)
zelfstandig naamwoord
b)
bijvoeglijk naamwoord
c)
gezegde
d)
onderwerp
32.
De man gaat op reis.
a)
Zelfstandig naamwoord
b)
onderwerp
c)
gezegde
d)
lijdend voorwerp
33.
Ik verafschuw hem.
a)
Een hekel hebben aan
b)
Leuk vinden
c)
lief vinden
34.
Loop naar de maan!
a)
Onderwerp
b)
Lijdend voorwerp
c)
zelfstandig naamwoord
d)
bijvoeglijk naamwoord
35.
Erg behulpzaam en vriendelijk zijn.
a)
Een hart van goud hebben
b)
een sterk hart hebben
c)
je hart volgen
d)
goudhartig zijn
100 %
