wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Beeldspraak en stijlfiguren

Total questions: 22

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Je kamer lijkt wel een zwijnenstal.

a)

vergelijking

b)

understatement

c)

metafoor

d)

personificatie

2.

De wind floot door de takken.

a)

vergelijking

b)

hyperbool

c)

metafoor

d)

personificatie

3.

Kijk de zon gaat onder, het meer staat in brand.

a)

vergelijking

b)

hyperbool

c)

metafoor

d)

personificatie

4.

Soms lacht de toekomst je toe.

a)

vergelijking

b)

eufemisme

c)

metafoor

d)

personificatie

5.

Hij ging er als een haas vandoor.

a)

vergelijking

b)

understatement

c)

metafoor

d)

personificatie

6.

Peter, een echte angsthaas, was erg bang tijdens de spooktocht.

a)

vergelijking

b)

hyperbool

c)

metafoor

d)

personificatie

7.

Ik heb wel een eeuw op je gewacht.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

metafoor

8.

De demonstratie liep een beetje uit de hand: er werden 90 mensen opgepakt.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

personificatie

9.

Zij lachte zich dood.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

personificatie

10.

Oma heeft haar laatste adem uitgeblazen.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

personificatie

11.

Negen van de tien keer heeft de trein vertraging.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

metafoor

12.

Tekenen is niet je grootste talent.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

13.

Vanwege een wisselstoring hebben de treinreizigers te maken met extra reistijd.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

14.

25 kilometer? Dat kleine eindje kunnen we toch nog wel lopen?

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

15.

Die bal in de kruising was een aardig doelpunt.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

16.

Als je een één op je toets hebt gehaald, heb je vast een paar foutjes gemaakt.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

metafoor

17.

De examinator heeft iedereen laten zakken voor het examen. Hij heeft dus onzorgvuldig gehandeld.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

18.

Hij gaat creatief met de waarheid om.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

metafoor

19.

Tjonge, het duurt nog tot Kerst voordat die toets is nagekeken.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

20.

Mijn opa is wat aan de gezette kant.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

vergelijking

21.

De kinderen keken in de dierentuin hun ogen uit.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

understatement

d)

personificatie

22.

De wind floot door de takken.

a)

vergelijking

b)

hyperbool

c)

metafoor

d)

personificatie