NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsWerkwoorden 6
Total questions: 10
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
De trouwstoet (begeven t.t.) zich naar het stadhuis.
a)
begaf
b)
begeeft
c)
begeven
d)
begeef
2.
Nu (ervaren t.t.) hij wie zijn vrienden zijn.
a)
Ervaart
b)
Ervoer
c)
Ervaarde
d)
Ervaard
3.
Hebben jullie je tuintje al (wieden)?
a)
gewiet
b)
gewiedt
c)
gewied
4.
Waarom (verachten v.t.) jij die arme bedelaar?
a)
verachten
b)
verachte
c)
verachtte
d)
verachtten
5.
Moeder (braden v.t.) een lekker stukje vlees.
a)
braadt
b)
braad
c)
braade
d)
braadde
6.
De vijand (heroveren t.t.) de platgebrande stad.
a)
heroveren
b)
heroverde
c)
heroverd
d)
herovert
7.
Wat heeft de stad zich de laatste jaren (uitbreiden).
a)
uitgebreidt
b)
uitgebreit
c)
uitgebreed
d)
uitgebreid
8.
De burgermeester (onthullen t.t.) het standbeeld.
a)
onthulde
b)
onthuld
c)
onthult
d)
onthuldt
9.
Is het eten nu alweer (aanbranden)?
a)
aangebrand
b)
aangebranden
c)
aangebrant
d)
aangebrandt
10.
Het (aanbranden) eten smaakte naar houtskool.
a)
aangebrandde
b)
aangebrande
c)
aangebrandden
d)
aangebranden
Reset
