wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 NOVA 4e druk ho. 6

Total questions: 27

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.
Twee negatieve ladingen.........
a)
...trekken elkaar aan.
b)
 ...stoten elkaar af.
c)
...doen niks met elkaar.
d)
...vormen samen een positieve lading.
2.
Als je een trui uittrekt, wordt de trui negatief geladen, doordat.........
a)
...positieve deeltjes naar je lichaam gaan.
b)
 ...positieve deeltjes naar de trui gaan.
c)
...doordat negatieve deeltjes naar je lichaam gaan.
d)
...doordat negatieve deeltjes naar de trui gaan.
3.
Wat is de eenheid van spanning?
a)
U
b)
V
c)
A
d)
Ω
4.
Wat is het symbool van weerstand?
a)
R
b)
Ω
c)
U
d)
A
5.
Wat is de formule voor weerstand?
a)
R = U x I
b)
R = U / I
c)
R = I / U
d)
R = P x U
6.
De stroomsterkte na een lampje is ..................... de stroomsterkte voor het lampje.
a)
groter dan
b)
gelijk aan
c)
kleiner dan
7.
Dit zijn drie gelijke lampjes. Hoe groot is de stroomsterkte bij punt B?
a)
0,6 A
b)
0,3 A
c)
0,2 A
d)
0,15 A
8.
Dit zijn drie gelijke lampjes. Hoe groot is de spanning op het onderste lampje?
a)
0 V
b)
3 V
c)
4 V
d)
12 V
9.
Dit zijn niet gelijke lampjes. Hoe groot is de stroomsterkte bij punt B?
a)
0,3 A
b)
0,4 A
c)
0,5 A
d)
0,8 A
10.
25 mA = ......... A
a)
0,025 A
b)
0,25 A
c)
250 A
d)
25000 A
11.
2 kV = ......... V
a)
0,002 V
b)
0,02 V
c)
200 V
d)
2000 V
12.
Hoe groter de weerstand van een apparaat, hoe ................. de stroomsterkte.
a)
groter
b)
kleiner
13.
In welke schakeling zijn de volt- en ampèremeter goed geschakeld?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
14.
Wat geldt bij de wet van Ohm? Als de spanning 2x zo groot wordt......
a)
...wordt de stroomsterkte 2x zo klein
b)
...wordt de stroomsterkte 2x zo groot
c)
...wordt de weerstand 2x zo groot.
d)
...wordt de weerstand 2x zo klein.
15.
Door een weerstand van 40 Ω loopt een stroom van 0,2 A. Bereken de spanning.
a)
0,005 V 
b)
0,8 V
c)
8 V
d)
200 V
16.
Bereken de totale weerstand van deze schakeling.
a)
801 Ω
b)
810 Ω
c)
900 Ω
d)
1800 Ω
17.
Bereken de totale weerstand van deze schakeling.
a)
0,03 Ω
b)
33,3 Ω
c)
40 Ω
d)
150 Ω
18.
Bereken de totale stroomsterkte in deze schakeling.
a)
0,06 A
b)
0,4 A
c)
2,5 A
d)
360 A
19.
Bereken de totale stroomsterkte in deze schakeling.
a)
0,09 A
b)
0,375 A
c)
2,67 A
d)
216 A
20.
Wat gebeurt er met de weerstand van dit apparaat, als de spanning toeneemt?
a)
wordt groter
b)
blijft gelijk
c)
wordt kleiner
d)
kun je niet afleiden uit deze grafiek
21.
Wat is geen aansluiting van een transistor?
a)
basis
b)
collector
c)
actuator
d)
emitter
22.
Wat geldt er voor een LDR?
a)
Als hij warmer wordt, wordt de weerstand hoger.
b)
Als hij warmer wordt, wordt de weerstand lager.
c)
Als er meer licht op valt, wordt de weerstand hoger.
d)
Als er meer licht op valt, wordt de weerstand lager.
23.
Wanneer gaat de LED in deze schakeling meer licht geven?
a)
Als het warmer wordt.
b)
Als het kouder wordt.
c)
Als er meer licht op de schakeling valt.
d)
Als er minder licht op de schakeling valt.
24.
Wanneer gaat het lampje aan?
a)
Als het warmer wordt.
b)
Als het kouder wordt.
c)
Als het lichter wordt.
d)
Als het donkerder wordt.
25.
Wat is een actuator?
a)
Een schakelaar in een automatische schakeling.
b)
Een aansluiting van een transistor.
c)
Een apparaat dat wordt aangezet door een automatische schakeling.
d)
Een variabele weerstand.
26.
Hoe heet het onderdeel van een automatische schakeling dat de meting doet?
a)
sensor
b)
actuator
c)
collector
d)
transistor
27.
De voedingskast in deze schakeling geeft 14 V af. De lampjes zijn allemaal hetzelfde. Hoe groot is de spanning op het lampje linksonder?
a)
2 V
b)
14 V
c)
7 V
d)
3,5 V