NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsH4 Steden en Staten
Total questions: 15
Worksheet time: 23mins
Name
Class
Date
1.
-
Een horige (midden) voldoet aan de eisen van de heer (rechts) en verkoopt ook producten aan een handelaar (links)
Welke verandering ten opzichte van de vroege middeleeuwen blijkt uit de bron?
Een horige (midden) voldoet aan de eisen van de heer (rechts) en verkoopt ook producten aan een handelaar (links)
Welke verandering ten opzichte van de vroege middeleeuwen blijkt uit de bron?
a)
De feodale verhoudingen tussen leenman en leenheer zijn anders geworden.
b)
De landbouwsamenleving is niet langer alleen gericht op zelfvoorziening.
c)
Het hofstelsel dat de vroege middeleeuwen kenmerkte, is helemaal verdwenen.
d)
West-Europa is nog christelijker geworden; de macht van de kerk is toegenomen.
2.
Bekijk de bron. Een bisschop zegent een jaarmarkt bij Parijs.
Bij welk kenmerkend aspect past deze bron het beste?
a)
de opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving
b)
de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden
c)
het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben
d)
het begin van staatsvorming en centralisatie
3.
-
De tekst in de bron is een gedeelte van het stadsrecht van Hoei, het oudste stadsprivilege in Europa waarvan iets bewaard is gebleven. Worden de volgende beweringen wel of niet ondersteund door deze bron? Geef de juiste beweringen aan.
Vijf artikelen uit het stadsrecht van Hoei (1066) in Wallonië:
-
1. Het eerste privilege is het volgende: wanneer de bisschop in vredestijd overlijdt, dan zullen de burgers van de stad tot aan de volledige benoeming van een nieuwe bisschop het kasteel van Hoei bezetten op kosten van de stad en wel met goede trouw en overleg.
-
2. Alwie zich in Hoei wil vestigen, blijft in dienst van zijn heer.
-
3. Als een onvrije in de stad sterft, zal hij aan zijn heer vier denieren nalaten en hij kan niet worden verplicht om meer te geven als hij dat niet wil.
-
4. Als iemand een burger van Hoei opeist als zijn eigen man, dan moet hij hem terugkrijgen als hij dit kan bewijzen.
-
5. Als iemand een ander een open wond toebrengt en naar zijn huis terugkeert zonder gepakt te zijn, zal hij daar zo lang kunnen blijven als hij wil, mits hij niet gedaagd wordt voor het vredesgerecht van Luik.
De tekst in de bron is een gedeelte van het stadsrecht van Hoei, het oudste stadsprivilege in Europa waarvan iets bewaard is gebleven. Worden de volgende beweringen wel of niet ondersteund door deze bron? Geef de juiste beweringen aan.
Vijf artikelen uit het stadsrecht van Hoei (1066) in Wallonië:
-
1. Het eerste privilege is het volgende: wanneer de bisschop in vredestijd overlijdt, dan zullen de burgers van de stad tot aan de volledige benoeming van een nieuwe bisschop het kasteel van Hoei bezetten op kosten van de stad en wel met goede trouw en overleg.
-
2. Alwie zich in Hoei wil vestigen, blijft in dienst van zijn heer.
-
3. Als een onvrije in de stad sterft, zal hij aan zijn heer vier denieren nalaten en hij kan niet worden verplicht om meer te geven als hij dat niet wil.
-
4. Als iemand een burger van Hoei opeist als zijn eigen man, dan moet hij hem terugkrijgen als hij dit kan bewijzen.
-
5. Als iemand een ander een open wond toebrengt en naar zijn huis terugkeert zonder gepakt te zijn, zal hij daar zo lang kunnen blijven als hij wil, mits hij niet gedaagd wordt voor het vredesgerecht van Luik.
a)
Uit het stadsrecht kun je opmaken dat het bestuur in Hoei volledig in handen was van de rijke burgerij.
b)
In het stadsrecht van Hoei zijn nog verwijzingen naar horigheid te vinden.
c)
De artikelen in de bron zijn representatief voor de privileges van burgers in de late middeleeuwen.
d)
Rond Hoei bestond omstreeks 1065 een landbouw samenleving.
4.
-
Van West naar Oost
-
Fulcher van Chartres (1059 – 1127?) was één van de deelnemers aan de Eerste Kruistocht (1096–1099).
-
In zijn kroniek van de kruistocht schreef hij: “Beschouw en overdenk bij uzelf op welke wijze God in onze tijd het Westen heeft omgevormd tot het Oosten. Wij die eens westerlingen waren, zijn nu oosterlingen geworden. Wie Romein was of Frank, is hier Galileër geworden of bewoner van Palestina. Wie eens in Reims of Chartres woonde, is thans burger van Tyrus of Antiochië. Wij zijn onze geboorteplaatsen al vergeten, voor velen van ons zijn ze onbekend, of ze horen er in ieder geval nooit meer over spreken. Sommigen van ons bezitten in dit land al huizen of knechten, die hun toebehoren alsof het erfgoederen zijn. De ene heeft een vrouw gehuwd die geen landgenote is maar een Syrische, een Armeense of zelfs een gedoopte Saraceense. De één bewerkt zijn druivenvelden, de andere zijn akkers. Men gebruikt verschillende talen. Wie eens een vreemdeling was, is nu ingezetene, de pelgrim is inwoner geworden. Zij die in hun eigen land arm waren, maakt God hier rijk. Zij die slechts pachters waren, schenkt God hier een heel landgoed. Waarom zou iemand naar het Westen terugkeren als het Oosten hem zoveel gunsten schenkt?”
-
-
De bron is een fragment van een verslag van de eerste kruistocht. Geef aan welke beweringen juist zijn en welke onjuist.
Van West naar Oost
-
Fulcher van Chartres (1059 – 1127?) was één van de deelnemers aan de Eerste Kruistocht (1096–1099).
-
In zijn kroniek van de kruistocht schreef hij: “Beschouw en overdenk bij uzelf op welke wijze God in onze tijd het Westen heeft omgevormd tot het Oosten. Wij die eens westerlingen waren, zijn nu oosterlingen geworden. Wie Romein was of Frank, is hier Galileër geworden of bewoner van Palestina. Wie eens in Reims of Chartres woonde, is thans burger van Tyrus of Antiochië. Wij zijn onze geboorteplaatsen al vergeten, voor velen van ons zijn ze onbekend, of ze horen er in ieder geval nooit meer over spreken. Sommigen van ons bezitten in dit land al huizen of knechten, die hun toebehoren alsof het erfgoederen zijn. De ene heeft een vrouw gehuwd die geen landgenote is maar een Syrische, een Armeense of zelfs een gedoopte Saraceense. De één bewerkt zijn druivenvelden, de andere zijn akkers. Men gebruikt verschillende talen. Wie eens een vreemdeling was, is nu ingezetene, de pelgrim is inwoner geworden. Zij die in hun eigen land arm waren, maakt God hier rijk. Zij die slechts pachters waren, schenkt God hier een heel landgoed. Waarom zou iemand naar het Westen terugkeren als het Oosten hem zoveel gunsten schenkt?”
-
-
De bron is een fragment van een verslag van de eerste kruistocht. Geef aan welke beweringen juist zijn en welke onjuist.
a)
De veranderingen die de bron beschrijft, waren een gevolg van de eerste kruistocht.
b)
Fulcher van Chartres vond dat het Westen superieur was aan het Oosten.
5.
Bij de vorige bron:
-
Van West naar Oost
-
Fulcher van Chartres (1059 – 1127?) was één van de deelnemers aan de Eerste Kruistocht (1096–1099).
-
In zijn kroniek van de kruistocht schreef hij: “Beschouw en overdenk bij uzelf op welke wijze God in onze tijd het Westen heeft omgevormd tot het Oosten. Wij die eens westerlingen waren, zijn nu oosterlingen geworden. Wie Romein was of Frank, is hier Galileër geworden of bewoner van Palestina. Wie eens in Reims of Chartres woonde, is thans burger van Tyrus of Antiochië. Wij zijn onze geboorteplaatsen al vergeten, voor velen van ons zijn ze onbekend, of ze horen er in ieder geval nooit meer over spreken. Sommigen van ons bezitten in dit land al huizen of knechten, die hun toebehoren alsof het erfgoederen zijn. De ene heeft een vrouw gehuwd die geen landgenote is maar een Syrische, een Armeense of zelfs een gedoopte Saraceense. De één bewerkt zijn druivenvelden, de andere zijn akkers. Men gebruikt verschillende talen. Wie eens een vreemdeling was, is nu ingezetene, de pelgrim is inwoner geworden. Zij die in hun eigen land arm waren, maakt God hier rijk. Zij die slechts pachters waren, schenkt God hier een heel landgoed. Waarom zou iemand naar het Westen terugkeren als het Oosten hem zoveel gunsten schenkt?”
-
-
Geef aan welke beweringen juist zijn en welke onjuist.
-
Van West naar Oost
-
Fulcher van Chartres (1059 – 1127?) was één van de deelnemers aan de Eerste Kruistocht (1096–1099).
-
In zijn kroniek van de kruistocht schreef hij: “Beschouw en overdenk bij uzelf op welke wijze God in onze tijd het Westen heeft omgevormd tot het Oosten. Wij die eens westerlingen waren, zijn nu oosterlingen geworden. Wie Romein was of Frank, is hier Galileër geworden of bewoner van Palestina. Wie eens in Reims of Chartres woonde, is thans burger van Tyrus of Antiochië. Wij zijn onze geboorteplaatsen al vergeten, voor velen van ons zijn ze onbekend, of ze horen er in ieder geval nooit meer over spreken. Sommigen van ons bezitten in dit land al huizen of knechten, die hun toebehoren alsof het erfgoederen zijn. De ene heeft een vrouw gehuwd die geen landgenote is maar een Syrische, een Armeense of zelfs een gedoopte Saraceense. De één bewerkt zijn druivenvelden, de andere zijn akkers. Men gebruikt verschillende talen. Wie eens een vreemdeling was, is nu ingezetene, de pelgrim is inwoner geworden. Zij die in hun eigen land arm waren, maakt God hier rijk. Zij die slechts pachters waren, schenkt God hier een heel landgoed. Waarom zou iemand naar het Westen terugkeren als het Oosten hem zoveel gunsten schenkt?”
-
-
Geef aan welke beweringen juist zijn en welke onjuist.
a)
De bron beschrijft geen voorbeeld van kolonisatie vanuit Europa.
b)
Uit de bron is een motief voor het maken van een kruistocht af te leiden.
6.
Demografie van Europa
-
De grafiek in de bron laat zien hoe het bevolkingsaantal in Europa zich tussen 700 en 1500 ontwikkelde.
-
Worden de volgende beweringen wel (juist) of niet (onjuist) ondersteund door de bron?
-
-
De grafiek in de bron laat zien hoe het bevolkingsaantal in Europa zich tussen 700 en 1500 ontwikkelde.
-
Worden de volgende beweringen wel (juist) of niet (onjuist) ondersteund door de bron?
-
a)
In de 12e eeuw was er in Europa sprake van een groei van de bevolking.
b)
Door de kruistochten nam de bevolking in Europa langzaam af.
7.
Bij dezelfde grafiek:
-
Worden de volgende beweringen wel (juist) of niet (onjuist) ondersteund door de bron?
-
Worden de volgende beweringen wel (juist) of niet (onjuist) ondersteund door de bron?
a)
Pestepidemieën in de 14e eeuw veroorzaakten een daling van het bevolkingsaantal.
b)
De tijd van steden en staten kun je in twee perioden verdelen.
8.
Kruisridders in Byzantium
-
De historica Anna Comnena (1083-1152) schreef een biografie van haar vader, de Byzantijnse keizer Alexius I, Basileus genoemd(1081-1114).
-
In het volgende fragment beschrijft ze hoe de keizer voor het eerst te maken kreeg met kruisvaarders. “Toen wij allen verzameld waren en de eed door iedere graaf afgelegd was, had een edelman de stoutmoedigheid op de zetel van de Basileus (= keizer) te gaan zitten. De Basileus verdroeg het zonder een woord te zeggen, want hij kende reeds lang het aanmatigende karakter van de Latijnen. -
Maar graaf Boudewijn kwam tussenbeide, nam de ander bij de hand en liet hem opstaan met levendige verwijten: ‘Gij moogt u hier niet op een dergelijke manier gedragen, vooral niet nu gij de eed van trouw aan de Basileus gaat afleggen. Het is naar waarheid niet de gewoonte van de Basileus hun onderdanen te laten zitten tegelijkertijd met henzelf. Zij, die de vazallen van Zijne Majesteit geworden zijn, moeten zich ook aan de gewoonten van het land houden.’
-
De man antwoordde Boudewijn niet, maar wierp een woedende blik op de Basileus en mompelde in zijn eigen taal: ‘Zie wat een lomperd! Hij alleen gaat zitten, terwijl zo belangrijke aanvoerders moeten blijven staan.’ De Basileus liet zich de woorden van de man vertalen en liet zich aan hem voorstellen. Toen de ridder begon op te scheppen over zijn overwinningen in tweegevechten, antwoordde de Basileus: ‘Spoedig zult gij ruimschoots gelegenheid krijgen om uw moed te tonen (tegen de Turken).’”
-
Welke bewering wordt door de bron ondersteund?
-
De historica Anna Comnena (1083-1152) schreef een biografie van haar vader, de Byzantijnse keizer Alexius I, Basileus genoemd(1081-1114).
-
In het volgende fragment beschrijft ze hoe de keizer voor het eerst te maken kreeg met kruisvaarders. “Toen wij allen verzameld waren en de eed door iedere graaf afgelegd was, had een edelman de stoutmoedigheid op de zetel van de Basileus (= keizer) te gaan zitten. De Basileus verdroeg het zonder een woord te zeggen, want hij kende reeds lang het aanmatigende karakter van de Latijnen. -
Maar graaf Boudewijn kwam tussenbeide, nam de ander bij de hand en liet hem opstaan met levendige verwijten: ‘Gij moogt u hier niet op een dergelijke manier gedragen, vooral niet nu gij de eed van trouw aan de Basileus gaat afleggen. Het is naar waarheid niet de gewoonte van de Basileus hun onderdanen te laten zitten tegelijkertijd met henzelf. Zij, die de vazallen van Zijne Majesteit geworden zijn, moeten zich ook aan de gewoonten van het land houden.’
-
De man antwoordde Boudewijn niet, maar wierp een woedende blik op de Basileus en mompelde in zijn eigen taal: ‘Zie wat een lomperd! Hij alleen gaat zitten, terwijl zo belangrijke aanvoerders moeten blijven staan.’ De Basileus liet zich de woorden van de man vertalen en liet zich aan hem voorstellen. Toen de ridder begon op te scheppen over zijn overwinningen in tweegevechten, antwoordde de Basileus: ‘Spoedig zult gij ruimschoots gelegenheid krijgen om uw moed te tonen (tegen de Turken).’”
-
Welke bewering wordt door de bron ondersteund?
a)
De schrijfster van de bron geeft nergens haar mening over het gedrag van de kruisridders.
b)
De Byzantijnse keizer maakte gebruik van een feodale gewoonte uit West-Europa om macht over de kruisridders te krijgen.
9.
Kruisridders in Byzantium
-
De historica Anna Comnena (1083-1152) schreef een biografie van haar vader, de Byzantijnse keizer Alexius I, Basileus genoemd(1081-1114).
-
In het volgende fragment beschrijft ze hoe de keizer voor het eerst te maken kreeg met kruisvaarders. “Toen wij allen verzameld waren en de eed door iedere graaf afgelegd was, had een edelman de stoutmoedigheid op de zetel van de Basileus (= keizer) te gaan zitten. De Basileus verdroeg het zonder een woord te zeggen, want hij kende reeds lang het aanmatigende karakter van de Latijnen. -
Maar graaf Boudewijn kwam tussenbeide, nam de ander bij de hand en liet hem opstaan met levendige verwijten: ‘Gij moogt u hier niet op een dergelijke manier gedragen, vooral niet nu gij de eed van trouw aan de Basileus gaat afleggen. Het is naar waarheid niet de gewoonte van de Basileus hun onderdanen te laten zitten tegelijkertijd met henzelf. Zij, die de vazallen van Zijne Majesteit geworden zijn, moeten zich ook aan de gewoonten van het land houden.’
-
De man antwoordde Boudewijn niet, maar wierp een woedende blik op de Basileus en mompelde in zijn eigen taal: ‘Zie wat een lomperd! Hij alleen gaat zitten, terwijl zo belangrijke aanvoerders moeten blijven staan.’ De Basileus liet zich de woorden van de man vertalen en liet zich aan hem voorstellen. Toen de ridder begon op te scheppen over zijn overwinningen in tweegevechten, antwoordde de Basileus: ‘Spoedig zult gij ruimschoots gelegenheid krijgen om uw moed te tonen (tegen de Turken).’”
-
Welke bewering wordt door de bron ondersteund?
-
De historica Anna Comnena (1083-1152) schreef een biografie van haar vader, de Byzantijnse keizer Alexius I, Basileus genoemd(1081-1114).
-
In het volgende fragment beschrijft ze hoe de keizer voor het eerst te maken kreeg met kruisvaarders. “Toen wij allen verzameld waren en de eed door iedere graaf afgelegd was, had een edelman de stoutmoedigheid op de zetel van de Basileus (= keizer) te gaan zitten. De Basileus verdroeg het zonder een woord te zeggen, want hij kende reeds lang het aanmatigende karakter van de Latijnen. -
Maar graaf Boudewijn kwam tussenbeide, nam de ander bij de hand en liet hem opstaan met levendige verwijten: ‘Gij moogt u hier niet op een dergelijke manier gedragen, vooral niet nu gij de eed van trouw aan de Basileus gaat afleggen. Het is naar waarheid niet de gewoonte van de Basileus hun onderdanen te laten zitten tegelijkertijd met henzelf. Zij, die de vazallen van Zijne Majesteit geworden zijn, moeten zich ook aan de gewoonten van het land houden.’
-
De man antwoordde Boudewijn niet, maar wierp een woedende blik op de Basileus en mompelde in zijn eigen taal: ‘Zie wat een lomperd! Hij alleen gaat zitten, terwijl zo belangrijke aanvoerders moeten blijven staan.’ De Basileus liet zich de woorden van de man vertalen en liet zich aan hem voorstellen. Toen de ridder begon op te scheppen over zijn overwinningen in tweegevechten, antwoordde de Basileus: ‘Spoedig zult gij ruimschoots gelegenheid krijgen om uw moed te tonen (tegen de Turken).’”
-
Welke bewering wordt door de bron ondersteund?
a)
De standsverschillen in het Byzantijnse rijk waren kleiner dan in West-Europese landen zoals Frankrijk en Engeland.
b)
Het beschreven conflict was een gevolg van het verschil in sociale normen tussen West-Europa en het Byzantijnse rijk.
10.
Bekijk de bron
-
Het onderschrift luidt: In 1295 verbreedde deEngelse koning Edward I zijn parlement met twee ridders en twee burgers uit elk graafschap.
-
Welke bewering is juist?
-
Het onderschrift luidt: In 1295 verbreedde deEngelse koning Edward I zijn parlement met twee ridders en twee burgers uit elk graafschap.
-
Welke bewering is juist?
a)
De afbeelding kan in verband worden gebracht met de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
b)
De afbeelding toont aan dat Engeland aan het eind van de 13e eeuw een moderne democratische bestuursvorm had gekregen.
11.
Bekijk de bron
-
Het onderschrift luidt: In 1295 verbreedde deEngelse koning Edward I zijn parlement met twee ridders en twee burgers uit elk graafschap.
-
Welke bewering is juist?
-
Het onderschrift luidt: In 1295 verbreedde deEngelse koning Edward I zijn parlement met twee ridders en twee burgers uit elk graafschap.
-
Welke bewering is juist?
a)
De afbeelding kan in verband worden gebracht met de staatsvorming en centralisatie in Engeland tijdens de late middeleeuwen.
b)
De afbeelding toont aan dat de koning van Engeland aan het eind van de 13e eeuw bijna al zijn macht verloren had aan de standen.
12.
Filips de Goede hoort bij:
a)
Frankrijk
b)
Duitsland
c)
Bourgondië
d)
Engeland
13.
Welke koning past bij het jaar 1066
a)
Willem de Veroveraar
b)
Graaf Willem II
c)
Jan zonder land
d)
Karel de Stoute
14.
Welke bestuurder heeft nooit de Nederlanden bestuurd?
a)
Lodewijk IX
b)
Filips de Goede
c)
Karel de Stoute
d)
Maria van Bourgondië
15.
Wat past niet bij het centralisatieproces dat in de late Middeleeuwen plaatsvond?
a)
Huurlegers
b)
Ambtenaren
c)
Staten Generaal
d)
Adelijke privileges
Reset
