wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examenleerstof NW2 Kerstmis

Total questions: 200

Worksheet time: 2hrs 46mins

Name
Class
Date
1.
De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...
a)
voedselweb
b)
voedselketen
c)
voedselpiramide
d)
voedselkringloop
2.
De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...
a)
voedselweb
b)
voedselketen
c)
voedselpiramide
d)
voedselkringloop
3.
De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...
a)
voedselweb
b)
voedselketen
c)
voedselpiramide
d)
voedselkringloop
4.
De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...
a)
voedselweb
b)
voedselketen
c)
voedselpiramide
d)
voedselkringloop
5.
Planteneters zijn consumenten van  ...
a)
de 1ste orde
b)
de 2de of 3de orde
c)
elke orde
d)
geen orde
6.
Vleeseters zijn consumenten van  ...
a)
de 1ste orde
b)
de 2de of 3de orde
c)
elke orde
d)
geen orde
7.
Alleseters zijn consumenten van  ...
a)
de 1ste orde
b)
de 2de of 3de orde
c)
elke orde
d)
geen orde
8.
Welke van onderstaande voedselketens is fout?
a)
plankton -> watervlo -> stekelbaars
b)
watervlo -> stekelbaars -> fuut
c)
plankton -> stekelbaars -> watervlo
d)
watervlo -> watertor -> stekelbaars
9.
Planten zijn ...
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
d)
mineralen
10.
Bodembacteriëen zijn ...
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
d)
mineralen
11.
Slakken zijn ...
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
d)
mineralen
12.
... jaar geleden is de aarde ontstaan uit gassen.
a)
4,6 miljard
b)
4,6 miljoen
c)
4,6 biljoen
d)
4,6 biljard
13.
Welk effect heeft het weghalen van alle planteneters uit  een biotoop op de vleeseters én de plantengroei in de biotoop?
a)
Het aantal vleeseters daalt en de plantengroei neemt toe.
b)
Het aantal vleesetetrs daalt en de plantengroei neemt af.
c)
Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt toe.
d)
Het aantal vleeseters stijgt en de plantengroei neemt af.
14.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
15.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
16.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
17.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
18.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
19.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
20.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
21.
De bovenstaande afbeelding is een voorbeeld van een ...
a)
bedreiging voor de biodiversiteit.
b)
bescherming voor de biodiversiteit.
22.
Aaneenschakeling van levende wezens, waarbij de ene schakel tot voedsel dient voor de volgende = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
23.
Een voedselrelatie die ook het aantal organismen weergeeft  = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
24.
Voedselrelaties die overlappen  = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
25.
Een gesloten voedselrelatie  = ...
a)
voedselketen
b)
voedselpiramide
c)
voedselweb
d)
voedselkringloop
26.
Verscheidenheid aan organismen in een biotoop = ...
a)
biodiversiteit
b)
genetische diversiteit
c)
diversiteit op soortniveau
d)
diversiteit aan ecosystemen
27.
Verscheidenheid aan genen, waardoor er nog veel ondersoorten zijn = ...
a)
biodiversiteit
b)
genetische diversiteit
c)
diversiteit op soortniveau
d)
diversiteit aan ecosystemen
28.
De verscheidenheid van alle verschillend soorten planten, dieren, schimmels en micro-organismen = ...
a)
biodiversiteit
b)
genetische diversiteit
c)
diversiteit op soortniveau
d)
diversiteit aan ecosystemen
29.
Omvat alle verschillende biotopen die op aarde bestaan = ...
a)
biodiversiteit
b)
genetische diversiteit
c)
diversiteit op soortniveau
d)
diversiteit aan ecosystemen
30.
Wat heb je nodig om aan photosynthese te doen?
a)
koolstofdioxide, water, licht, bladgroen
b)
koolstofdioxide, water, bladgroen, zuurstof
c)
zuurstof, water, licht, bladgroen
d)
zuurstof, water, bladgroen koolstofdioxide
31.
Niet-groene planten zijn ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
32.
Dieren zijn ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
33.
Mensen zijn ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
34.
Organismen die zich voeden met andere zijn ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
35.
Groene planten  zijn ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
36.
Organismen die hun eigen voedingsstoffen maken zijn  ...
a)
heterotroof
b)
autotroof
37.
Fotosynthese gebeurt ...
a)
in het blad.
b)
in de wortels.
c)
in de bloem.
d)
in de stengel.
38.
Stof die je met lugol kan opsporen.
a)
zetmeel
b)
koolstofdioxide
c)
water
d)
zuurstofgas
39.
Bijen zijn belangrijk voor de biodiversiteit zij zorgen voor ...
a)
de bestuiving.
b)
de bevruchting.
40.
Wat is de molecuulformule voor koolstofdioxide?
a)
CO2
b)
C2O
c)
C2O
d)
CO2
41.
Wat is de molecuulformule voor water?
a)
HO2
b)
H2O
c)
H2O
d)
HO2
42.
Wat is de molecuulformule voor zuurstofgas?
a)
O2
b)
2O
c)
2O
d)
O2
43.
Wat is de molecuulformule voor glucose?
a)
C6H12O6
b)
C6H12O6
c)
C12H6O12
d)
C12H6O12
44.
Veel bladgroenkorrels zitten in het ...
a)
pallisadevulweefsel
b)
sponsvulweefsel
45.
Wanneer koolstofdioxide wordt omgezet in zuurstofgas spreken we van ...
a)
fotosynthese
b)
celademhaling
46.
Wanneer zuurstofgas wordt omgezet in koolstofdioxide spreken we van ...
a)
fotosynthese
b)
celademhaling
47.
Na ontkleuring + lugoltest werd waargenomen dat:  ..............   zwart kleurt.
a)
belichte groene gedeelte 
b)
onbelichte groene gedeelte
c)
belichte witte gedeelte
d)
onbelichte witte gedeelte
48.
Na ontkleuring + lugoltest werd waargenomen dat:  ..............   oranje kleurt.
a)
belichte groene gedeelte 
b)
onbelichte groene gedeelte
c)
belichte witte gedeelte
d)
onbelichte witte gedeelte
49.
Na ontkleuring + lugoltest werd waargenomen dat:  ..............   zwart kleurt.
a)
belichte groene gedeelte 
b)
onbelichte groene gedeelte
c)
belichte witte gedeelte
d)
onbelichte witte gedeelte
50.
Na ontkleuring + lugoltest werd waargenomen dat:  ..............   oranje kleurt.
a)
belichte groene gedeelte 
b)
onbelichte groene gedeelte
c)
belichte witte gedeelte
d)
onbelichte witte gedeelte
51.
Wanneer gebeurt fotosynthese hoofdzakelijk.
a)
's nachts
b)
overdag
52.
Wanneer gebeurt celademhaling hoofdzakelijk.
a)
's nachts
b)
overdag
53.
Bij celademhaling is er een opname van ...
a)
zuurstofgas
b)
koolstofdioxide
54.
Bij fotosynthese is er een opname van ...
a)
zuurstofgas
b)
koolstofdioxide
55.
Bij fotosynthese is er een afgift van ...
a)
zuurstofgas
b)
koolstofdioxide
56.
Bij celademhaling is er een afgift van ...
a)
zuurstofgas
b)
koolstofdioxide
57.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
bloembodem
b)
kroonblad
c)
helmhokje
d)
stempel
58.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
bloem
b)
meeldraad
c)
stuifmeel
d)
geen fout
59.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
helmdraad
b)
helmhokje
c)
stuifmeelkorrels
d)
geen fout
60.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
zaadcel
b)
zaadbeginsel
c)
vruchtwand
d)
vruchtbeginsel
61.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
eicelbeginsel
b)
zaadbeginsel
c)
kern
d)
eicel
62.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
stuifmeelleider
b)
vruchtbeginsel
c)
zaadbeginsel
d)
(bevruchte) eicel
63.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
zaadhuid
b)
kiemwortel
c)
navel
d)
geen fout
64.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
vruchtwand
b)
zaadlijst
c)
zaad
d)
navelstreng
65.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
vruchtwand
b)
zaadlijst
c)
zaad
d)
navelstreng
66.
Wat is fout op de afbeelding?
a)
stuifmeel
b)
rijpe helmknop
c)
onrijpe stempel
d)
onrijpe helmknop
67.
Als bloemen voorkomen op aparte planten zijn ze ...
a)
eenhuizig
b)
tweehuizig
68.
Als bloemen voorkomen op dezelfde plant, zijn ze ...
a)
eenhuizig
b)
tweehuizig
69.
Het mannelijk voortplantingsorgaan bij een bloemplant is ...
a)
meeldraad
b)
stamper
70.
Het vrouwelijk voortplantingsorgaan bij een bloemplant is ...
a)
meeldraad
b)
stamper
71.
Hortensia's hebben ...
a)
steriele lokbloemen
b)
eenslachtige bloemen
c)
naakte bloemen
d)
geen bloemen
72.
Wilgen hebben ...
a)
steriele bloemen
b)
eenslachtige bloemen
c)
tweeslachtige bloemen
d)
geen bloemen
73.
Wilgen hebben ...
a)
steriele bloemen
b)
naakte bloemen
c)
tweeslachtige bloemen
d)
geen bloemen
74.
Hazelaars hebben ...
a)
steriele bloemen
b)
naakte bloemen
c)
tweeslachtige bloemen
d)
geen bloemen
75.
Hazelaars hebben ...
a)
steriele bloemen
b)
eenslachtige bloemen
c)
tweeslachtige bloemen
d)
geen bloemen
76.
Op de afbeelding zie je stuifmeel van een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
77.
Op de afbeelding zie je stuifmeel van een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
78.
Op de afbeelding zie je ...
a)
kruisbestuiving
b)
zelfbestuiving
c)
buurbestuiving
d)
geen bestuiving
79.
Op de afbeelding zie je ...
a)
kruisbestuiving
b)
zelfbestuiving
c)
buurbestuiving
d)
geen bestuiving
80.
Op de afbeelding zie je ...
a)
kruisbestuiving
b)
zelfbestuiving
c)
buurbestuiving
d)
geen bestuiving
81.
Op de afbeelding zie je een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
82.
Op de afbeelding zie je een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
83.
Op de afbeelding zie je een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
84.
Op de afbeelding zie je een ...
a)
insectenbloeier
b)
windbloeier
85.
Versmelting van zaadcel en eicel is ...
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
zygote
d)
stuifmeelbuis
86.
Stuifmeel dat valt op de stempel van dezelfde soort bloem is  ...
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
zygote
d)
stuifmeelbuis
87.
Stuifmeel dat valt op de stempel van dezelfde soort bloem is  ...
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
zygote
d)
stuifmeelbuis
88.
Dit groeit en vermenigvuldigt zicht tot een kiem ...
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
zygote
d)
stuifmeelbuis
89.
Dit ontwikkeld zich on der invloed van het kleverige stempelvocht uit een stuifmeelkorrel ... ...
a)
bevruchting
b)
bestuiving
c)
zygote
d)
stuifmeelbuis
90.
Een ajuin heeft ongeslachtelijke voorplanting d.m.v. ...
a)
okselknoppen
b)
stengelknollen
c)
wortelknollen
d)
wortelstokken
91.
Een aardappel heeft ongeslachtelijke voorplanting d.m.v. ...
a)
okselknoppen
b)
stengelknollen
c)
wortelknollen
d)
wortelstokken
92.
Een dahlia heeft ongeslachtelijke voorplanting d.m.v. ...
a)
okselknoppen
b)
stengelknollen
c)
wortelknollen
d)
wortelstokken
93.
Een brandnetel heeft ongeslachtelijke voorplanting d.m.v. ...
a)
okselknoppen
b)
stengelknollen
c)
wortelknollen
d)
wortelstokken
94.
Een volkomen bloem is ...
a)
eenslachtig
b)
tweeslachtig
c)
naakt
d)
steriel
95.
De buitenste bladeren bij een bloem zijn ... 
a)
kelkbladeren
b)
kroonbladeren
c)
bloembladeren
d)
melkbladeren
96.
Wat moet de insecten lokken en de stamper/meeldraden beschermen?
a)
bloembekleedsel
b)
bloembodem
c)
stuifmeel
d)
nectar
97.
Dit onderdeel beschermt het  zaad.
a)
zaadhuid
b)
zaadlobben
c)
navel 
d)
poortje
98.
Hierlangs komt de zaadcel binnen in het zaad.
a)
zaadhuid
b)
zaadlobben
c)
navel 
d)
poortje
99.
Hierin zitten reserve voedingsstoffen.
a)
zaadhuid
b)
zaadlobben
c)
navel 
d)
poortje
100.

Zaadplanten hebben bloemen. Waar gebruikt een zaadplant zijn bloemen voor? (de functie van bloemen)

a)

Een zaadplant maakt bloemen zodat deze verkocht kunnen worden in een winkel.

b)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zich voort te planten

c)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om zuurstof in de lucht los te laten.

d)

Een zaadplant gebruikt zijn bloemen om voedingsstoffen op te nemen.

101.

De stamper is het vrouwelijk voorplantingsorgaan van een plant. Uit welke onderdelen bestaat de stamper?

a)

Stempel, stijl en kroonblad

b)

Bloemkelk, Stijl en vruchtbeginsel

c)

Stempel, Stijl en vruchtbeginsel

d)

Vruchtbeginsel, Stempel en bloemkelk

102.

Welk onderdeel van de stamper kan stuifmeelkorrels opvangen?

a)

De Stempel

b)

De Stijl

c)

Het Vruchtbeginsel

103.

Bijen kunnen bloemen (helpen bij het) bestuiven. Hoe lokken planten de bijen aan?

a)

Door de felle kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

b)

Door de groene kleuren van de bloemen en het nectar dat een bloem maakt.

c)

Door de honing die bloemen maken.

d)

Door de felle kleur van de stamper en de honing die bloemen maken.

104.

Hebben de eicellen van een plant ook een kern?

a)

Ja

b)

Nee

105.

Bekijk de afbeelding. Welk nummer geeft de meeldraad aan?

a)

2

b)

7

c)

5

d)

3

106.
Vaak groene, kleine kroonbladeren
a)
insectenbloem
b)
windbloem
107.
Produceren veel stuifmeel
a)
insectenbloem
b)
windbloem
108.
Bloemen zijn vaak geurend
a)
insectenbloem
b)
windbloem
109.
Hebben vaak felgekleurde kroonbladeren
a)
insectenbloem
b)
windbloem
110.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
111.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
112.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
113.
Dit is een 
a)
insectenbloem
b)
windbloem
114.
Stuifmeel is ruw en kleverig
a)
insectenbloem
b)
windbloem
115.
Stuifmeel is ruw en kleverig
a)
insectenbloem
b)
windbloem
116.

Waar kun je de kern van de stuifmeelkorrel in de stuifmeelbuis vinden.

a)

Buiten de stamper

b)

In de vruchtbeginsel

c)

Aan de uiteinde van de stuifmeelbuis

117.

Waar groeit een stuifmeelbuis naar toe?

a)

Naar de eicel in een zaadbeginsel

b)

Naar het vruchtbeginsel

c)

Naar de stijl

d)

Naar de bloemkelk

118.

Wat gebeurt er bij de bevruchting van eicel in het zaadbeginsel?

a)

De eicel wordt vervoerd naar de stempel zodat deze bevrucht kan worden.

b)

De eicel versmelt in de stijl met de stuifmeelkorrel

c)

De kern van de stuifmeelkorrel versmelt met die van de eicel in het zaadbeginsel.

119.

Liggen de stuifmeelkorrels bij de bestuiving op de meeldraden?

a)

Ja

b)

Nee

120.

Zijn zaden ontstaan uit vruchtbeginsels?

a)

Ja

b)

Nee

121.

Ontstaat bij bevruchting een bevruchte stuifmeelkorrel?

a)

Ja

b)

Nee

122.

Een stuifmeelkorrel van een roos valt op de tak van een andere rozenplant.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

123.

Een stuifmeelkorrel van een roos valt op de stempel van de stamper van een andere roos.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

124.

Een stuifmeelkorrel van een tulp valt op de stempel van de stamper van dezelfde tulp.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

125.

Een eicel van een roos valt op de stamper van een andere roos.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

126.

De stuifmeelkorrel van een narcis valt op de stempel van de stamper van een madeliefje.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

127.

Wat past er bij windbloemen?

a)

grote kroonbladeren

b)

kleine kroonbladeren

c)

groene kroonbladeren

d)

felgekleurde kroonbladeren

128.

Wat past er bij insectenbloemen?

a)

veel stuifmeel

b)

weinig stuifmeel

c)

plakkerig stuifmeel

d)

rond en licht stuifmeel

129.

Wat past er bij windbloemen?

a)

de stempel en meeldraden zitten binnen in de bloem

b)

de stempel en de meeldraden hangen buiten de bloem

c)

wel nectar

d)

geen nectar

130.

Wat past er bij insectenbloemen?

a)

geen geur

b)

ruiken lekker

c)

gras

d)

tulp

131.

Hoe heet onderdeel 9?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

kroonblad

d)

kelkblad

132.

Hoe heet onderdeel 7?

a)

kern van de stuifmeelkorrel

b)

kern van de eicel

c)

vruchtbeginsel

d)

eicel

133.

Hoe heet onderdeel 6?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

eicel

d)

stuifmeelkorrel

134.

Hoe heet onderdeel 5?

a)

stempel

b)

vruchtbeginsel

c)

zaadbeginsel

d)

stijl

135.

Hoe heet onderdeel 4?

a)

eicel

b)

helmhokje

c)

kern van de stuifmeelkorrel

d)

kern van de eicel

136.

Hoe heet onderdeel 3?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

kroonblad

d)

stuifmeelbuis

137.

Hoe heet onderdeel 2?

a)

stempel

b)

stamper

c)

vruchtbeginsel

d)

zaadbeginsel

138.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

meeldraad

b)

stuifmeelkorrel

c)

kern van de eicel

d)

stempel

139.
Wat hoort NIET bij ongeslachtelijke voortplanting?
a)
Zaad
b)
Knol
c)
Bol
d)
Uitlopen
140.
Welk kenmerk zie je WEL bij een windbloem?
a)
Nectar
b)
Gele kleur
c)
Veel stuifmeelkorrels
d)
Lange meeldraden
141.
Stuifmeel gaat van de ene plant naar de andere plant.
Welk woord zoek ik?
a)
Bevruchting
b)
Bestuiving
c)
Ontkieming
142.
Een vruchtbeginsel groeit uit tot een..... en een zaadbeginsel groeit uit tot een...?
a)
Vrucht, bloem
b)
Zaad, bloem
c)
Vrucht, zaad
d)
Bloem, Zaad
143.
Op welke manier kunnen vruchten NIET verspreid worden?
a)
Dieren
b)
Wind
c)
Zon
d)
Water
144.
Een zaad bestaat uit verschillende onderdelen. Welk onderdeel zit NIET in een zaad?
a)
Kiemplantje
b)
Zaadlob
c)
Zaadhuid
d)
Eicel
145.
Hoe heet het als een plant zelf voedsel maakt?
a)
fotokopiëren
b)
Clonen
c)
Fotosynthese
d)
Produceren
146.
Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?
a)
lucht, water, koolstof
b)
licht, ranja, kooldioxide
c)
licht, water, bloemkool
d)
licht, water, kooldioxide
147.
Hoe heten de kleine openingen in de bladeren?
a)
huidkontjes
b)
huidblondjes
c)
huidstrontjes
d)
huidmondjes
148.

welke organische stof ontstaat bij fotosynthes

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

149.

Welke stoffen ontstaan bij de fotosynthese (meerdere antwoorden kiezen)

a)

water

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

150.

Kan een plant water opnemen via de huidmondjes en koolstofdioxide

a)

Alleen water wordt opgenomen via de huidmondjes

b)

Water en koolstofdioxide worden opgenomen via de huidmondjes

c)

Alleen koolstofdioxide wordt opgenomen via de huidmondjes

d)

Geen van beide stoffen wordt opgenomen via de huidmondjes

151.

Wat betekent het als de biodiversiteit in een gebied groot is?

a)

De dieren en planten leven in een groot gebied.

b)

Er leven veel planten en dieren in een gebied.

c)

Er leven grote dieren en planten in een gebied.

d)

Er leven veel verschillende planten en dieren in een gebied.

152.

Wat geeft deze voedselpiramide weer?

a)

Dat in de sloot planten, waterinsecten, vissen en reigers leven die elkaar opeten.

b)

Dat er in deze sloot verschillende soorten planten, waterinsecten en vissen leven die gegeten worden door de reiger.

c)

Dat er in deze sloot veel planten leven die gegeten worden door iets minder waterinsecten, die gegeten worden door nog minder vissen en deze vissen worden gegeten door nog minder reigers.

153.

Een voedselweb is:

a)

Een afbeelding waarin je ziet dat planten en dieren bij elkaar leven

b)

Een afbeelding waarin je ziet dat planten door verschillende dieren worden gegeten en deze ook weer door verschillende dieren worden gegeten.

154.

Wat verstaan we onder een ecosysteem?

a)

Een gebied waarin verschillende planten en dieren met elkaar samenleven.

b)

Een gebied waar genoeg voedsel is voor planten en dieren.

c)

Een gebied dat voor een groot deel bestaat uit gras.

155.

Welke afbeeldingen zijn van een ecosysteem?

a)
b)
c)
d)
156.

Wat stelt deze tekening voor?

a)

De hoeveelheid bladeren en dieren, rupsen, koolmezen en uilen die er zijn.

b)

Een voedselketen waarbij de planten gegeten worden door de rupsen, de rupsen door de koolmezen en de koolmezen door de uilen.

c)

De hoeveelheid gif die de planten en dieren binnen krijgen. Hoe verder in de voedselpiramide hoe meer gif er ophoopt in het organisme (levende wezen) Dus in de uil hoopt zich het meeste gif op.

157.

In een strenge winter sterven er veel reeën. Hierdoor hebben de vossen minder eten. Er sterven vossen van de honger. Doordat er minder vossen zijn, blijven er meer reeën leven ook de wat zwakkere dieren die normaal op zouden worden gegeten. Waar is dit een voorbeeld van?

a)

Dat de natuur zichzelf in evenwicht houdt.

b)

Dat het natuurlijk evenwicht in dit gebied voor langere tijd verstoord is.

c)

Als het aantal dieren afneemt is er een natuurlijk evenwicht.

158.

Dit is een voorbeeld van een...

a)

...voedselweb.

b)

...voedselketen.

c)

...voedselpiramide.

d)

...voedselkringloop.

159.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

Welke uitspraak is correct?

a)

Sprinkhaan eet een kikker.

b)

Vos eet smalle weegbree.

c)

Buizerd eet een vos.

d)

Adder eet een kikker.

160.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

De sprinkhaan is in dit voorbeeld een...

a)

...producent.

b)

...consument eerste orde.

c)

...consument tweede orde.

d)

...consument derde orde.

e)

Ander antwoord.

161.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

De vos is in dit voorbeeld een...

a)

...producent.

b)

...consument eerste orde.

c)

...consument tweede orde.

d)

...consument derde orde.

e)

Ander antwoord.

162.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

De vlierbes is in dit voorbeeld een...

a)

...producent.

b)

...consument eerste orde.

c)

...consument tweede orde.

d)

...consument derde orde.

e)

Ander antwoord.

163.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

Welk begrip past bij nummer 2?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Mineralen

d)

Producenten

164.

(Klik op de afbeelding om in te zoomen.)

Welk begrip past bij nummer 3?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Mineralen

d)

Producenten

165.

Bij deze afbeelding is er sprake van een...

a)

...natuurlijk evenwicht.

b)

...natuurlijk onevenwicht.

166.

Welke bedreiging van de biodiversiteit past bij deze foto?

a)

Exoten overheersen

b)

Fragmentatie ecosystemen

c)

Boskap

d)

Jacht op zeezoogdieren

167.

Geef een oplossing/bescherming voor de biodiversiteit voor 'boskap'.

a)

Vegetarisch eten

b)

Inheemse soorten beschermen

c)

Ecotoerisme

d)

Ecoduct verbindt

168.

Welk proces bij groene planten wordt hier weergegeven:

O2 -> CO2

a)

Fotosynthese

b)

Celademhaling

169.

Wat zijn de twee voorwaarden voor fotosynthese?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Zonlicht (en warmte)

c)

Eiwitten

d)

Vetten

e)

Glucose

170.

Welke macroscopische aanpassing van planten aan de fotosynthese herken je op de foto?

a)

Bladstand

b)

Bladvorm (-oppervlak)

c)

Aantal blaadjes

d)

Draairichting

171.

Welke macroscopische aanpassing van planten aan de fotosynthese herken je op de foto?

a)

Bladstand

b)

Bladvorm (-oppervlak)

c)

Aantal blaadjes

d)

Draairichting

172.

Microscopische aanpassing van de plant aan de fotosynthese:

Veel bladgroenkorrels zijn gelegen aan de ... van het blad.

a)

bovenzijde

b)

onderste kant

173.

Microscopische aanpassing van de plant aan de fotosynthese:

De uitwisseling van O2 en CO2 gebeurt via openingen in het blad, nl. ...

a)

huidmondjes.

b)

bladgroenkorrels.

c)

wortels.

174.

C6H12O2 = ...

a)

Koolstofdioxide

b)

Water

c)

Glucose

d)

Zuurstofgas

175.

Autotroof of heterotroof?

a)

Autotroof

b)

Heterotroof

176.

Autotroof of heterotroof?

a)

Autotroof

b)

Heterotroof

177.

Autotroof of heterotroof?

a)

Autotroof

b)

Heterotroof

178.

De witte pijl wijst naar een...

a)

kelkblad.

b)

kroonblad.

179.

De witte pijl wijst naar een...

a)

kelkblad.

b)

kroonblad.

180.

Het mannelijk voortplantingsorgaan bij de bloem noemen we...

a)

meeldraad.

b)

stamper.

c)

zaadbeginsel.

d)

helmdraad.

e)

stuifmeelkorrel.

181.

Het vrouwelijk voortplantingsorgaan bij de bloem noemen we...

a)

meeldraad.

b)

stamper.

c)

zaadbeginsel.

d)

helmdraad.

e)

stuifmeelkorrel.

182.

Een volkomen bloem heeft...

a)

stamper(s)

b)

meeldra(a)d(en)

183.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Helmknop

b)

Helmdraad

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

184.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Vruchtbeginsel

b)

Bloembodem

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

185.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Vruchtbeginsel

b)

Bloembodem

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Bloemsteel

186.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Vruchtbeginsel

b)

Bloembodem

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

187.

Katjes zijn...

a)

...naakte, eenslachtige bloemen.

b)

...steriele bloemen.

c)

...naakte, tweeslachtige bloemen.

188.

De blauwe pijl wijst naar een...

a)

steriele lokbloem.

b)

naakte bloem.

c)

katje.

d)

eenslachtige bloem.

e)

volkomen bloem.

189.

Een wilg heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen. Deze bloemen komen voor op aparte planten. Ze zijn dus...

a)

eenhuizig.

b)

tweehuizig.

190.

Een hazelaar heeft mannelijke en vrouwelijke bloemen. Deze bloemen komen voor op dezelfde plant. Ze zijn dus...

a)

eenhuizig.

b)

tweehuizig.

191.

Na verloop van tijd versmelten de helmhokjes twee aan twee, om uiteindelijk te barsten. Hoe komt dit?

a)

Het rijpen van de stuifmeelkorrels.

b)

Ouderdom.

c)

Omdat de stamper van dezelfde bloem rijp is.

d)

Door de wind.

e)

Omdat een insect er tegen botst.

192.

Bij ... is er nog geen contact tussen zaadcel en eicel.

a)

bestuiving

b)

bevruchting

193.

Deze stuifmeelkorrel is een voorbeeld voor...

a)

windbestuiving.

b)

insectenbestuiving.

194.

Deze stuifmeelkorrel die aangeduid wordt door de blauwe pijl is een voorbeeld voor...

a)

windbestuiving.

b)

insectenbestuiving.

195.

Nummer 1 is een voorbeeld van...

a)

zelfbestuiving.

b)

buurbestuiving.

c)

kruisbestuiving.

196.

Nummer 2 is een voorbeeld van...

a)

zelfbestuiving.

b)

buurbestuiving.

c)

kruisbestuiving.

197.

Nummer 3 is een voorbeeld van...

a)

zelfbestuiving.

b)

buurbestuiving.

c)

kruisbestuiving.

198.

Duid alle mogelijke kenmerken van insectenbloeiers aan.

a)

Duidelijke geur en kleur van de bloem

b)

Nabootsen van een wijfje van een insect

c)

Samengestelde bloemen

d)

Ver uitstekende meeldraden

e)

Stuifmeel van katjes

199.

Duid alle mogelijke kenmerken van windbloeiers aan.

a)

Duidelijke geur en kleur van de bloem

b)

Nabootsen van een wijfje van een insect

c)

Samengestelde bloemen

d)

Ver uitstekende meeldraden

e)

Stuifmeel van katjes

200.

Welk begrip hoort bij nr. 4?

a)

Helmdraad

b)

Bloemsteel

c)

Stuifmeelkorrel

d)

Helmhokje

e)

Helmknop