wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Industriële revolutie + Liberalisme

Total questions: 19

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.
De industriële Revolutie begon in de 18de eeuw 
a)
juist
b)
onjuist
2.
In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?
a)
Nederland
b)
Duitsland
c)
Frankrijk
d)
Groot-Brittannië
3.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
4.
Kenmerkend voor een industriële samenleving is
a)
meeste arbeiders in de industrie
b)
urbanisatie en bevolkingsgroei
c)
meeste arbeiders in industrie + snelle bevolkingsgroei
d)
verdwijnen van de landbouw
5.
Wat kun je zeggen over het werk van arbeiders rond 1870?
a)
te weinig vrije tijd
b)
hard werken voor weinig geld
c)
hard werken voor veel geld
6.
Waarom trekken fabriekseigenaren zich eerst niks aan van stakende arbeiders?
a)
Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen
b)
Ze zijn de baas
c)
Ze doen lekker wat ze willen
7.
Industriële revolutie is een ..... verandering op .... gebied
a)
Ingrijpende  / politiek 
b)
geleidelijk / politiek
c)
Ingrijpend / sociaal
d)
geleidelijk / sociaal
8.

Waarom moest de productie in de textielnijverheid opgedreven worden?

a)

Er waren goedkopere grondstoffen

b)

Er was meer vraag naar kledij

c)

Er waren meer arbeiders beschikbaar

d)

Er was meer bevolking

9.

Welke van de onderstaande kenmerken hoort bij liberalisme op politiek gebied.

a)

De ondernemers hadden belang bij een zo groot mogelijk vrijheid van handel

b)

Ze waren voorstander van vrije concurrentie en vrijhandel

c)

Ze wilden dat de invloed van de overheid op het economisch leven zo gering mogelijk moest zijn

d)

Ze waren tegen vormen van vakbonden, want dan zouden ze geen lage lonen kunnen vaststellen

10.
Nederland krijgt in 1848 een nieuwe grondwet omdat:
a)
Thorbecke zijn voorstel voor een nieuwe grondwet zo goed was
b)
Willem I democratischer ging denken en de oude grondwet slecht vond
c)
Willem II bang was voor revolutie in Nederland zoals in andere landen
d)
Willem II een democraat was en vond dat het volk meer te vertellen moest hebben. 
11.

Welke van de 4 veranderingen stond NIET in de grondwet van 1848?

a)

De koning wordt onschendbaar. De ministers zijn verantwoordelijk voor de koning.

b)

Er komt algemeen kiesrecht

c)

De macht wordt vanaf nu verdeeld over drie verschillende machten.

d)

Iedereen krijgt dezelfde grondrechten.

12.
Welk antwoord legt het beste uit waarom censuskiesrecht oneerlijk is?
a)
Bij censuskiesrecht mogen alleen rijke mannen en vrouwen  die genoeg belasting betalen stemmen. 
b)
Bij censuskiesrecht mogen alleen burgers stemmen die genoeg belasting betalen. 
c)
Bij censuskiesrecht mogen alleen mannen stemmen
d)
Bij censuskiesrecht mogen alleen rijke mannen stemmen die genoeg belasting stemmen.
13.

In welk jaar krijgt Nederland een nieuwe grondwet?

a)

1748

b)

1848

c)

1917

d)

1919

14.

wie zie je hier op de foto?

a)

Koning Willem I

b)

Koning Willem II

c)

Johan Rudolf Thorbecke

15.

Waarom is er eigenlijk een scheiding van machten in Nederland?

4 lines
16.

Nederland is een constitutionele Monarchie.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Thorbecke was een liberaal. Wat is dat?

a)

Liberalen vinden dat de overheid zich veel met de burgers.moeten bemoeien.

b)

Liberalen vinden dat e meeste macht bij de koning meer moet liggen

c)

Liberalen vinden dat de burgers zoveel mogelijk beschermd moeten worden door de overheid.

d)

Liberalen vinden dat de overheid zich juist zo weinig mogelijk moet bemoeien met de burgers en de samenleving.

18.

Een land met een koning als staatshoofd noem je een...

a)

Monarchie

b)

parlementaire democratie

c)

Republiek

19.

De Staten Generaal bestaat uit

a)

Eerste Kamer

b)

Tweede Kamer

c)

Regering

d)

Staatshoofd