WorksheetsH2 NOVA 4e druk ho. 2
Total questions: 22
Worksheet time: 20mins
Name
Class
Date
1.
Wat is geen stofeigenschap?
a)
kleur
b)
geur
c)
massa
d)
dichtheid
2.
Door welke stofeigenschap kun je alcohol en benzine van elkaar onderscheiden?
a)
brandbaarheid
b)
geur
c)
vloeibaar
d)
alcohol en benzine zijn niet te onderscheiden
3.
Wat betekent dit gevarensymbool?
a)
giftig
b)
schadelijk
c)
explosief
d)
corrosief
4.
Welk symbool betekent 'giftig'?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
5.
Is dit een H-zin of P-zin? 'Bij gebruik handschoenen dragen.'
a)
H-zin
b)
P-zin
c)
geen van beide
d)
allebei
6.
Wat is een zuivere stof?
a)
een stof die in de natuur voorkomt
b)
een stof die doorzichtig is
c)
een stof met één soort moleculen
d)
een stof die gezond is voor mensen
7.
Welk soort mengsel kun je scheiden door te filtreren?
a)
suspensie
b)
oplossing
c)
allebei
d)
geen van beide
8.
Hoe heet de stof die bij filtreren in het filter achter blijft?
a)
suspensie
b)
filtraat
c)
mengsel
d)
residu
9.
Wat is de juiste omschrijving van een oplossing?
a)
Maar één soort moleculen.
b)
Moleculen van meerdere stoffen helemaal door elkaar.
c)
Moleculen van een stof als kleine klontjes in andere stof.
d)
Moleculen van een stof op de bodem in een vloeistof.
10.
Als op een verpakking staat 'schudden voor gebruik' is het waarschijnlijk een......
a)
zuivere stof
b)
oplossing
c)
suspensie
d)
pot verf
11.
Reken om: 40 mm = ......... m
a)
0,04 m
b)
0,4 m
c)
4 m
d)
40000 m
12.
Reken om: 2,5 m2 = ......... cm2
a)
0,00025 cm2
b)
0,025 cm2
c)
250 cm2
d)
25000 cm2
13.
Reken om: 800 mL = ......... dm3
a)
0,8 dm3
b)
8 dm3
c)
80 dm3
d)
800 dm3
14.
Reken om: 0,5 ton = ......... g
a)
0,5 g
b)
500 g
c)
5000 g
d)
500000 g
15.
Waarmee meet je het volume van een vloeistof?
a)
weegschaal
b)
maatcilinder
c)
geodriehoek
d)
dat kun je niet meten
16.
Bereken het volume van deze balk.
a)
12 m3
b)
30 m3
c)
40 m3
d)
120 m3
17.
Bepaal het volume van deze steen.
a)
50 mL
b)
32,5 mL
c)
23 mL
d)
9,5 mL
18.
Blok A en B zijn even zwaar, maar blok A is groter. Welk blok heeft de grootste dichtheid?
a)
A
b)
B
c)
even groot
d)
kun je niet weten met deze gegevens
19.
Blok A en B zijn even groot, maar blok A is zwaarder. Welk blok heeft de grootste dichtheid?
a)
A
b)
B
c)
even groot
d)
kun je niet weten met deze gegevens
20.
De vloeistof in deze maatcilinder weegt 352 g. Bereken de dichtheid.
a)
0,7 g/cm3
b)
0,8 g/cm3
c)
1,25 g/cm3
d)
154880 g/cm3
21.
Bereken de dichtheid van dit blokje.
a)
0,37 g/cm3
b)
2,7 g/cm3
c)
4,6 g/cm3
d)
19 g/cm3
22.
IJzer heeft een dichtheid van 7,9 g/cm3. Hoe groot is een blokje ijzer van 0,12 kg?
a)
0,015 cm3
b)
0,066 cm3
c)
9,5 cm3
d)
15 cm3
100 %
