WorksheetsNG th 3 basisstof 2
Total questions: 21
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Het bloedstelsel bestaat uit:
a)
het hart en de bloedvaten
b)
het hart en de hersenen
c)
de bloedvaten en de spieren
2.
Wat doet het bloed?
a)
Vervoert eten door het lichaam
b)
Vervoert stoffen door het lichaam
3.
Wat heeft een mens?
a)
Een enkele bloedsomloop
b)
Een dubbele bloedsomloop
c)
Een driedubbele bloedsomloop
4.
Waaruit bestaat de bloedsomloop
a)
Een eerste en een tweede bloedsomloop
b)
Een mini en een maxi bloedsomloop
c)
Een kleine en een grote bloedsomloop
5.
Waar loopt de kleine bloedsomloop?
a)
van het hart naar de hersenen
b)
van het hart naar de longen
c)
van het hart naar de darmen
6.
Waar loopt de grote bloedsomloop?
a)
van het hart naar de longen en weer terug
b)
van het hart naar de darmen en weer terug
c)
van het hart naar de rest van het lichaam en weer terug
7.
Waar wordt de koolstofdioxide afgegeven?
a)
de longen
b)
de darmen
c)
de hersenen
d)
het hart
8.
Wat wordt er in de longen opgenomen in het bloed?
a)
koolstofdioxide
b)
zuurstof
c)
voedingsstoffen
9.
Waar vervoert de grote bloedsomloop?
a)
zuurstof en voedingsstoffen
b)
alleen voedingsstoffen
c)
alleen zuurstof
10.
Waar vervoert de grote bloedsomloop de zuurstof en voedingsstoffen heen?
a)
het hart
b)
de organen
c)
de spieren
d)
de rest van het lichaam
11.
Wat vervoert de grote bloedsomloop van de organen terug?
a)
zuurstof
b)
voedingsstoffen
c)
koolstofdioxide
12.
Hoort het hart bij het bloedvatenstelsel?
a)
ja
b)
nee
13.
Stroomt het bloed door het hele lichaam?
a)
ja
b)
nee
14.
Bestaat de dubbele bloedsomloop alleen uit de kleine bloedsomloop?
a)
ja
b)
nee
15.
Neemt het bloed zuurstof op in de longen in de grote bloedsomloop?
a)
ja
b)
nee
16.
Geeft koolstofdioxide af aan de longen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
17.
Geeft zuurstof af aan de cellen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
18.
Krijgt koolstofdioxide van de cellen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
19.
Krijgt zuurstof van de longen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
20.
Stroomt niet via de longen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
21.
Stroomt wel via de longen.
a)
Kleine bloedsomloop
b)
Grote bloedsomloop
100 %
