wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Thema 5

Total questions: 26

Worksheet time: 1hrs 5mins

Name
Class
Date
1.
De bronchiën van de mens zijn bekleed met trilhaarepitheel. Wat is de belangrijkste functie van de trilharen?
a)
Het transporteren van slijm met daarin opgenomen stof
b)
Het vernietigen van schadelijke stoffen en ziekteverwekkende micro-organismen
c)
Het verwarmen van de ingeademde lucht
d)
Het wegvangen van stof uit de ingeademde lucht
2.
Een patiënt met ademhalingsmoeilijkheden kan in een ijzeren long geplaats worden. Dit is een cilinder waarin de luchtdruk varieert tussen lager en hoger dan de buitenluchtdruk. De cilinder is luchtdicht afgesloten bij de hals, alleen het hoofd van de patient bevindt zich buiten de cilinder.
De ijzeren long vervult dus de functie van:
a)
de longen
b)
de luchtpijp en zijtakken
c)
het borstvlies en longvlies
d)
de tussenribspieren en het middenrif
3.
Als een mens rustig inademt, gebeurt o.a. het volgende:
a)
middenrif gaat omhoog
b)
de longen zetten uit; hierdoor gaat de borstkas mee
c)
middenrifspier trekt samen
d)
middenrifspier ontspant
4.
Bij uitademing kunnen de volgende gebeurtenissen een bijdrage leveren aan het naar buiten drijven van lucht uit de longen. 
Bij welke van deze gebeurtenissen wordt energie verbruikt die vrijkomt bij dissimilatie?
a)
het terugveren van de longblaasjes
b)
het terugveren van de buikwand
c)
het naar beneden zakken van de ribben door de zwaartekracht
d)
het naar beneden trekken van de ribben door de spieren
5.
Bij het begin van uitademing neemt
a)
de druk in de slagaders af
b)
de druk die er heerst tussen borstvlies en longvlies af
c)
de aderlijke bloedtoevoer naar het hart toe
d)
de druk in de longen toe
6.
Hoeveel keer gaat een zuurstofmolecuul door een celmembraan als hij vanuit de lucht in de longblaasjes naar de hemoglobine in een rode bloedcel gaat?
a)
2
b)
3
c)
4
d)
5
7.
Brandnetelthee wordt door mensen gedronken als middel ter bevordering van de urineproductie door de nieren. Eén of meer stoffen in deze thee hebben in het lichaam blijkbaar een zodanige werking dat de urineproductie stijgt.
Twee mogelijke effecten van brandnetelthee in het lichaam van een mens zijn:
1. door brandnetelthee wordt de ADH-productie door de hypofyse geremd,
2. door brandnetelthee wordt de waterresorptie door de cellen van de nierkanaaltjes verhoogd.
Welk van deze mogelijke effecten zou of welke zouden de toename van de urineproductie kunnen verklaren?
a)
alleen effect 1
b)
alleen effect 2
c)
effect 1 en 2
8.
Omdat een patiënt bepaalde klachten heeft, laat de arts de urine van de patiënt onderzoeken op de aanwezigheid van de volgende stoffen: glucose, eiwitten, keukenzout (NaCl) en ureum.
Welke van deze stoffen zal of welke zullen niet of nauwelijks worden gevonden in de urine van een gezonde persoon?
a)
alleen glucose 
b)
alleen eiwitten
c)
alleen glucose en eiwitten
d)
alleen glucose, eiwitten en keukenzout
9.
ADH werkt in op cellen die dit hormoon kunnen herkennen met behulp van zogenoemde ADH-receptoren.
Op het celmembraan van welke cellen bevinden zich deze ADH-receptoren voornamelijk?
a)
cellen in de wand van de nierader
b)
cellen in de wand van de nierkanaaltjes
c)
cellen in de wand van de nierkapsels
d)
cellen in de wand van de nierslagader
10.
O2 en CO2 verplaatsen zich zo dat het verschil in druk in de longen en het bloed(plasma) zo klein mogelijk blijft.
Met welke term wordt een dergelijke verplaatsing van gasmoleculen aangegeven?
a)
actief transport
b)
diffusie
c)
osmose
d)
natuurlijke selectie
11.
Waar ligt het ademhalingscentrum?
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
12.
Verkoudheid is een virusinfectie van de bovenste luchtwegen die o.a. gepaard gaat met extra slijmproductie. De extra slijmproductie belemmert de ademhaling. Met niezen en hoesten kun je proberen de luchtwegen weer open te krijgen.
Als je te vaak of te intensief hoest, kun je spierpijn krijgen.
In welke spieren ontstaat deze spierpijn?
a)
buikspieren
b)
middenrifspieren
c)
tussenribspieren
d)
buikspieren en tussenribspieren
13.
Iemand krijgt een bepaald geneesmiddel ingespoten. Dit wordt met het bloed door het lichaam getransporteerd.
Het geneesmiddel wordt in de nieren gefiltreerd, maar niet geresorbeerd.
Het geneesmiddel heeft een schadelijke bijwerking op de dekweefselcellen van de nieren, die groter is naarmate de concentratie van het geneesmiddel hoger wordt.
Bij welke delen van de nier is de beschadiging waarschijnlijk het grootst?
a)
nieradertjes
b)
nierkanaaltjes
c)
nierkapseltjes
d)
nierslagadertjes
14.
In de afbeelding staat een niereenheid. Op welke van de plaatsen 1, 2, 3 en 4 is de concentratie ureum in de vloeistof die zich daar bevindt, het grootst?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
15.
Per liter bevat urine, vergeleken met voorurine,
a)
een grotere hoeveelheid ureum
b)
een kleinere hoeveelheid zouten
c)
een grotere hoeveelheid glucose
d)
een grotere hoeveelheid eiwitten
16.
Het glucosegehalte van het bloed dat de nieren verlaat, is kleiner dan het glucosegehalte van het bloed dat de nieren binnenkomt.
Dit wordt vooral veroorzaakt doordat glucose in de nier wordt
a)
gedissimileerd
b)
opgeslagen
c)
uitgescheiden
d)
geassimileerd
17.
De vloeistof die uit het bloed in het kapsel van Bowman komt
a)
is geconcentreerde urine
b)
is bloedplasma zonder bloedcellen
c)
bevat geen glucose
d)
bestaat alleen uit water
18.
Het antidiuretisch hormoon (ADH) bevordert de resorptie van water in de nieren. Indien er meer ADH hormoon aanwezig is dan normaal, dan zal er
a)
meer voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden
b)
evenveel voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden
c)
evenveel voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden
d)
minder voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden
19.

Enkele stoffen in het lichaam van de mens:

essentiële aminozuren, glucagon, glucose en ureum


Welke van deze stoffen worden in de lever gevormd?

a)

essentiële aminozuren en glucagon

b)

essentiële aminozuren en ureum

c)

glucagon en glucose

d)

glucose en ureum

20.

De vorming van ureum vindt plaats in de ......1.......


Ureum wordt gevormd uit ........2........

a)

1 = lever / 2 = aminozuren

b)

1 = lever / 2 = glycogeen

c)

1 = nieren / 2 = aminozuren

d)

1 = nieren / 2 = glycogeen

21.

De tekening stelt de lever voor met aansluitende bloedvaten. Voor deze bloedvaten geldt:


Het glucosegehalte in bloedvat 1 is gemiddeld hoger dan dat in 2 en 3.

Het ureumgehalte in bloedvat 2 is gemiddeld hoger dan dat in 1 en 3.


Hoe heten de bloedvaten?

a)

1 = leverader, 2 = leverslagader, 3 = poortader

b)

1 = leverader, 2 = poortader, 3 = leverslagader

c)

1 = poortader, 2 = leverader, 3 = leverslagader

d)

1 = poortader, 2 = leverslagader, 3 = leverader

22.

De menselijke lever breekt overtollige aminozuren af. Als eindproduct(en) van deze afbraak wordt (worden) dan gevormd:

a)

alleen ureum

b)

ammoniak en ureum

c)

ureum en andere koolstofverbindingen

d)

ammoniak en andere koolstofverbindingen

23.

Hieronder een aantal stoffen die in het lichaam van de mens voorkomen:


1) aminozuren

2) koolhydraten

3) eiwitten


Van welke van deze stoffen kan in de lever de concentratie in het bloed gewijzigd worden?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 2 en 3

d)

1, 2 en 3

24.

Iemand laat een blijvende tatoeage zetten. De wondjes die hierdoor ontstaan gaan bloeden.


Welke laag is of welke lagen zijn dan in ieder geval beschadigd?

a)

alleen de hoornlaag

b)

alleen de hoornlaag en de kiemlaag

c)

alleen de hoornlaag, de kiemlaag en de lederhuid

d)

de hoornlaag, de kiemlaag, de lederhuid en het onderhuids bindweefsel

25.

De afbeelding geeft een doorsnede weer van een stukje huid met onderhuids bindweefsel.

Op welke van de met cijfers aangegeven plaatsen kan onder invloed van ultraviolette straling pigment worden gevormd?s

a)

plaats 1

b)

plaats 2

c)

plaats 3

d)

plaats 4

26.

Er zijn zeehonden die in de poolstreken leven. Tijdens de poolzomer liggen ze in de zon op het pakijs. Op de plaats waar ze liggen, smelt het pakijs nauwelijks. Mogelijke verklaringen voor dit feit zijn:


1 Een zeehond past zijn lichaamstemperatuur aan de temperatuur van de omgeving aan.

2 Als een zeehond in de zon ligt, vindt er minder dissimilatie plaats doordat uit de omgeving warmte wordt opgenomen.

3 Een zeehond heeft een dikke onderhuidse vetlaag waardoor de afgifte van warmte wordt beperkt.

4 Als een zeehond in de zon ligt, stroomt er meer bloed naar de huid en blijft de lichaamstemperatuur constant.


Welke van deze verklaringen is juist?

a)

verklaring 1

b)

verklaring 2

c)

verklaring 3

d)

verklaring 4