NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsHavo 4 Thema 7 Ecologie
Total questions: 20
Worksheet time: 48mins
Name
Class
Date
1.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
2.
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
Welke leerling geeft het juiste voorbeeld?
a)
Leerling 1
b)
Leerling 2
c)
Leerling 3
d)
Leerling 4
3.
In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
4.
In een fruitboomgaard treden regelmatig plagen van fruitspintmijten op. Fruitspintmijten zuigen plantesappen uit de bladeren van de fruitbomen waardoor de bladeren op grote schaal verdorren en de oogst vermindert. Vier keer per jaar wordt het aantal fruitspintmijten vastgesteld. Afhankelijk van het aantal fruitspintmijten wordt één of twee keer per jaar gespoten met een chemisch bestrijdingsmiddel. Elke keer wordt hetzelfde type en dezelfde hoeveelheid bestrijdingsmiddel gebruikt.
In de bron zijn de resultaten van tellingen van fruitspintmijten over 8 jaren weergegeven.
Twee kwekers doen elk een bewering over de oorzaak van plagen van fruitspintmijten in een appelboomgaard.
Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.
Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
In de bron zijn de resultaten van tellingen van fruitspintmijten over 8 jaren weergegeven.
Twee kwekers doen elk een bewering over de oorzaak van plagen van fruitspintmijten in een appelboomgaard.
Kweker 1: Dat komt doordat de biotische omstandigheden in de boomgaard voor de fruitspintmijten zeer gunstig zijn.
Kweker 2: Dat komt doordat de fruitspintmijten door hun voedselspecialisatie alleen in een fruitboomgaard kunnen leven.
Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
a)
geen van beide
b)
bewering van kweker 1
c)
bewering van kweker 2
d)
beide beweringen
5.
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
a)
waarschijnlijk kleiner dan 1000
b)
waarschijnlijk groter dan 1000
c)
dit heeft geen invloed op het werkelijke aantal dieren
6.
Op de open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgeroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Wat is de biologische term voor de veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt?
Wat is de biologische term voor de veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt?
a)
successie
b)
natuurlijke selectie
c)
mutatie
d)
genetic drift
7.
Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis. Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht. Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.
Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?
Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?
a)
concurrentie
b)
symbiose
c)
predatie
d)
coöperatie
8.
Het ondiepe, warme en halfzoute water van het strandmeer bij de stad Venetië is een ideale groeiplaats voor algen. Door de regelmatige instroom van fosfaat en nitraat is de hoeveelheid algen hier toegenomen tot een ware plaag. Door het afsterven van de algen neemt de hoeveelheid organisch afval sterk toe. Er treedt rotting op waarbij het zuurstofgehalte daalt en een doordringende stank vrijkomt.
Welke verklaring voor het feit dat een toename van fosfaat en van nitraat leidt tot een algenplaag, is juist?
Welke verklaring voor het feit dat een toename van fosfaat en van nitraat leidt tot een algenplaag, is juist?
a)
Algen hebben een breed tolerantiegebied voor fosfaat en nitraat.
b)
Algen zijn de enige organismen die fosfaat en nitraat kunnen opnemen.
c)
Door fosfaat en nitraat worden de natuurlijke vijanden van de algen gedood.
d)
Fosfaat en nitraat vormen in onvervuild water beperkende factoren voor de algengroei.
9.
Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.
Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?
Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?
a)
consumenten
b)
producenten
c)
reducenten
d)
predatoren
10.
In Noord-Scandinavië leven rendieren voornamelijk van korstmossen.
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in NoordScandinavië?
Ecologische rol korstmos: ........1........
Ecologische rol rendier: .......2......
Welke ecologische rol vervullen de korstmossen en welke de rendieren in NoordScandinavië?
Ecologische rol korstmos: ........1........
Ecologische rol rendier: .......2......
a)
1: producent
2: producent
2: producent
b)
1: producent
2: consument
2: consument
c)
1: consument
2: producent
2: producent
d)
1: consument
2: consument
2: consument
11.
Op Borneo komt de plantensoort voor met de grootste bloemen ter wereld: Rafflesia arnoldii. De planten van deze soort hebben geen groene bladeren en leven als parasiet met hun wortels in een liaan.
De zware, op de grond liggende bloemen van deze soort verspreiden een geur van rottend vlees. Dit lokt zeer veel vleesvliegen aan. Deze nemen druppeltjes mee uit de bloem, waarin zich stuifmeel bevindt en verzorgen zo bestuiving van deze bloem. De zaden van de plant worden verspreid door de Indische tapir. Dit dier scharrelt tussen de lianen. Als hij op een zaad trapt, blijft dat kleven aan zijn poten. Bij een wandeling door de jungle kan het zaad aan een liaan worden afgeveegd. De cirkel is dan gesloten.
Welke stoffen onttrekt Rafflesia arnoldii aan de liaan?
De zware, op de grond liggende bloemen van deze soort verspreiden een geur van rottend vlees. Dit lokt zeer veel vleesvliegen aan. Deze nemen druppeltjes mee uit de bloem, waarin zich stuifmeel bevindt en verzorgen zo bestuiving van deze bloem. De zaden van de plant worden verspreid door de Indische tapir. Dit dier scharrelt tussen de lianen. Als hij op een zaad trapt, blijft dat kleven aan zijn poten. Bij een wandeling door de jungle kan het zaad aan een liaan worden afgeveegd. De cirkel is dan gesloten.
Welke stoffen onttrekt Rafflesia arnoldii aan de liaan?
a)
alleen glucose
b)
alleen zouten en water
c)
alleen glucose en water
d)
glucose, zouten en water
12.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw.
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
bodem
b)
temperatuur
c)
licht
d)
water
13.
In de afbeelding staat de verschillende zones P, Q, R en S aangegeven.
In welke zone is naar verwachting de biodiversiteit het kleinst?
In welke zone is naar verwachting de biodiversiteit het kleinst?
a)
zone P
b)
zone Q
c)
zone R
d)
zone S
14.
Welke van onderstaande factoren is abiotisch?
a)
predatoren
b)
parasieten
c)
zuurgraad bodem
d)
soortgenoten
15.
Welke van onderstaande factoren is biotisch?
a)
reducenten
b)
bodemvochtigheid
c)
waterdiepte
d)
grondsoort
16.
Wat is de biologische term voor een verzameling van populaties en abiotische factoren in een natuurlijk begrensd gebied?
a)
ecosysteem
b)
habitat
c)
niche
d)
biotoop
17.
Cacao wordt gewonnen uit de cacaoboon, het zaad van de cacaoplant. De cacaoplant (Theobroma cacao) stelt als eis veel neerslag, hoge temperaturen en een vruchtbare bodem. Zoals bij veel economisch belangrijke planten, probeert men ook de cacaoteelt te optimaliseren. Endofyten zijn een bepaalde groep schimmels. Onderzoek heeft uitgewezen dat bepaalde endofyten de cacaoplant beschermen tegen een andere schimmel, de Phytophtera-schimmel die in Nederland berucht is als ziekteverwekker op aardappel- en tomatenplanten. Phytophtera veroorzaakt rotte plekken in de tomaten en de aardappels. De endofyten infecteren de bladeren van de cacaoplant, zonder dat de plant ziek wordt.
Tussen welke van de beschreven organismen is sprake van mutualisme?
Tussen welke van de beschreven organismen is sprake van mutualisme?
a)
de cacaoplant en de endofyten
b)
de cacaoplant en de Phytophtera
c)
de Phytophtera en de endofyten
d)
de aardappelplant en de Phytophtera
18.
Nitraatbacterien zetten….
a)
ammonium om in nitraat
b)
nitraat om in nitriet
c)
nitriet om in nitraat
d)
nitraat om in ammonium
19.
Welke organismen zijn in staat om de stikstof uit nitraat op te nemen in organische verbindingen?
a)
alleen planten
b)
alleen dieren
c)
zowel planten als dieren
20.
De Nieuw-Zeelandse vliegenvanger is een vogelsoort die voorkomt in Nieuw-Zeeland en op enkele eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Zo'n 120 jaar geleden werd de hermelijn, een Europese roofdiersoort, in Nieuw-Zeeland ingevoerd. Er vielen aanvankelijk veel slachtoffers onder de vogels. Tegenwoordig zijn de vogels in Nieuw-Zeeland zeer waakzaam. Kort geleden belandden er ook hermelijnen op het dichtbij Nieuw-Zeeland gelegen eiland Motuara. Om te voorkomen dat de vrij kleine populatie van de vliegenvanger op dit eiland uitsterft, geeft een groep biologen de vogels een 'survival training': nagemaakte hermelijnen met een dode vliegenvanger in hun bek worden aan een touw over de grond getrokken. Daarbij wordt de alarmkreet van de vogels ten gehore gebracht. Deze biologen gaan er blijkbaar vanuit dat waakzaamheid ontwikkeld kan worden door een leerproces.
Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken?
Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken?
a)
conditionering
b)
gewenning
c)
imitatie
d)
inprenting
Reset
