wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 kader H3 elektriciteit

Total questions: 19

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

In een schakeling zijn drie lampjes in serie geschakeld. Welke twee beweringen over de stroom en de stroomsterkte in deze schakeling zijn waar?

a)

De stroomsterkte is overal in de stroomkring gelijk.

b)

De totale stroomsterkte is het grootst door het eerste lampje.

c)

De totale stroomsterkte vind je door de stroomsterktes door de drie lampjes bij elkaar op te tellen.

d)

De stroom kan maar één route volgen.

2.

Welke twee beweringen over overbelasting zijn waar?

a)

De stroom wordt te groot.

b)

De stroom ondervindt vrijwel geen weerstand meer.

c)

Er treedt kortsluiting in een apparaat op.

d)

Er zijn te veel apparaten op één groep aangesloten.

3.

Wat is de formule om het vermogen van een apparaat te berekenen?

a)

P = UI

b)

P = U * I

c)

U = IP

d)

U = P * I

4.

Je kunt de stroomsterkte meten in A of in mA.

Zet om in mA:


0,006 A = … mA

a)

0,6 mA

b)

6 mA

c)

60 mA

d)

600 mA

5.

Betty maakt een parallelschakeling met drie lampjes. Ze sluit de schakeling aan op een gelijkspanningsbron. Welk schema hoort bij deze schakeling?

a)
b)
c)
6.

Jos maakt een serieschakeling met twee lampjes. Hij wil de totale stroomsterkte meten door de stroomkring. In welke figuur staat de stroommeter juist aangesloten?

a)
b)
c)
7.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
8.
Welke eenheid hoort bij spanning?
a)
Ampère
b)
Watt
c)
Wattuur
d)
Volt
9.
Hoeveel Volt wijst de meter aan?
a)
10
b)
11
c)
12
d)
13
10.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
11.
De letter P staat voor:
a)
Vermogen
b)
Power
c)
Beide antwoorden zijn goed
d)
Beide antwoorden zijn fout
12.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
13.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
14.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
15.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
16.
Heeft elk apparaat hetzelfde vermogen?
a)
Ja
b)
Nee
17.
Een geleider laat stroom....
a)
Makkelijk door
b)
Niet door
c)
Moeilijk door
18.
Wat gebeurt er met het draadje van een smelt-veiligheid (stop) als hij overbelast wordt?
a)
Smelt door
b)
Verbrand
c)
Ontploft
d)
Er gebeurt niks
19.
De aardlek-schakelaar schakelt alle groepen uit als....
a)
Stroom weglekt
b)
Er kortsluiting is
c)
Overbelasting is