wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsoefeningen deel 3 en 4

Total questions: 25

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welk figuurlijk taalgebruik past hier?

Stephen Hawking stierf gisteren na een leven vol wetenschap.

a)

Stephen Hawking zette gisteren een boom op na een leven vol wetenschap.

b)

Stephen Hawking liet ons gisteren in de kou staan na een leven vol wetenschap.

c)

Stephen Hawking gaf gisteren de pijp aan Maarten na een leven vol wetenschap.

2.

Duid de juiste volgorde aan: Wanneer je een tekst op het examen krijgt dan ga je...

a)

Oriënterend lezen - globaal lezen - zoekend lezen

b)

Globaal lezen - zoekend lezen - Oriënterend lezen

c)

Intensief lezen - zoekend lezen - globaal lezen

3.

Wat zijn de grote delen van een tekst?

a)

Titel - tussentitels - alinea's

b)

Inleiding - midden - slot

c)

Inleiding - tussentitel - alinea - slot

4.

Welke van de onderstaande teksten is een persuasieve tekst?

a)

een slogan van Dovy Keukens

b)

een geboortekaartje van Elle

c)

een gedicht over de dood van mijn oma

d)

een cartoon over saaie teksten

5.

Wat zijn de hoofdtijden van 'varen'?

a)

vaarde - gevaard

b)

vaarde - gevaren

c)

voer - gevaren

d)

voer - gevaart

6.

Een zwangere kat noemt men...

a)

een drachtige kat.

b)

een gedragen kat.

c)

een dragingskat.

7.

Duid de juiste combinatie aan.

a)

Een ezel schreeuwt.

b)

Een duif roekoet.

c)

Een walvis zingt.

d)

Een stier burrelt.

8.

Welk rijtje bestaat volledig uit synoniemen?

a)

Schrijden - waggelen - loensen - wandelen

b)

Waggelen - slenteren - sluipen - rennen

c)

Lopen - rennen - briesen - gaan

d)

Schrijden - waggelen - slenteren - kuieren

9.

De koppelwerkwoorden bestaan uit:

a)

Zouden - worden - blijven - blozen - lijken - schijnen

b)

Gaan - willen - zijn - blozen - lijken - heten

c)

heten - blijken - blijven - lijken - schijnen - zijn - worden

d)

blozen - gaan - worden - zijn - heten - schijnen - blijken

10.

Welke proef helpt je om zinnen te splitsen?

a)

De verplaatsproef

b)

De plaatsproef

c)

De verplaatsingsproef

11.

Welke proef helpt je om enkel de persoonsvorm te vinden?

a)

De plaatsproef

b)

De tijdproef

c)

De verplaatsproef

d)

De verplaatsingsproef

12.

In welk van de onderstaande zinnen staat een voornaamwoord als je die zou splitsen in zinsdelen?

a)

Jij hebt me goed liggen.

b)

Hij gaf me een veeg uit de pan.

c)

Jij wast je morgen grondig.

d)

Wij verstoppen hen onder de zetel.

13.

In welk van de onderstaande zinnen vind je een uitdrukking?

a)

Die meneer struikelt over zijn tas.

b)

Zij moeten morgen in de boom klimmen.

c)

Wij draaien hier linksaf.

d)

Die jongen was een vogel voor de kat.

14.

In welk van de onderstaande zinnen vind je een NWG?

a)

De kat is zijn vacht aan het wassen.

b)

Wij gaan morgen veel punten scoren.

c)

Onze hond is trouw gebleven.

d)

Wij worden morgen voor de eerste keer ondervraagd.

15.

In welk van de onderstaande zinnen past de werkwoordsvorm 'beantwoord' niet?

a)

Hij ...

b)

... jij

c)

Wij hebben ...

d)

Ik ...

16.

Wat betekent deze zin?

Mijn broer schiet snel uit zijn sloffen.

a)

Mijn broer is eenmalig boos geworden.

b)

Mijn broer is opvliegend en kan van het minste kwaad worden.

c)

Mijn broer heeft vervelende pantoffels en verliest ze snel.

17.

Welk figuurlijk taalgebruik zal je hieraan linken? 'De juf werd kwaad toen ze zag dat het bord vol vieze tekeningen stond.'

a)

Haar bloed kookte van woede.

b)

Ze schoot uit haar sloffen.

18.

Vul aan met een woord uit BZL deel 3. 'Mijn zus haalde haar ... bij haar dagelijkse leven om een gedicht te schrijven.'

a)

methode

b)

inspiratie

c)

voorbeeld

19.

Vul aan met een schooltaalwoord uit BZL deel 4. 'We zullen je resultaat verder moeten ... voor we een beslissing maken.'

a)

presenteren

b)

twijfelen

c)

evalueren

d)

hanteren

20.

Welk van de onderstaande woorden is fout geschreven? Duid aan.

a)

provincie

b)

anekdote

c)

smsje

d)

discussie

21.

'Een BN staat altijd voor het ZN.'

a)

juist

b)

fout

22.

In de zin 'We zijn vandaag nogal afwezig tijdens de les.' is het onderstreepte woord woord een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

nog een andere woordsoort

23.

In de zin 'Jullie verontschuldigen je bij de directeur.' is het onderstreepte woord een...

a)

zinsdeel dat we nog niet leerden

b)

adpv

c)

nwwu

d)

vnw

24.

Duid de juiste volgorde aan van het stappenplan om een zin te ontleden.

a)

Onderwerp - PV - werkwoorden zoeken - werkwoorden benoemen - splitsen in zinsdelen - NWG of WWG markeren

b)

PV - onderwerp - splitsen in zinsdelen - NWG of WWG markeren - werkwoorden benoemen - werkwoorden zoeken

c)

Splitsen in zinsdelen - onderwerp - PV - werkwoorden zoeken - werkwoorden benoemen - NWG of WWG markeren

d)

PV - onderwerp - splitsen in zinsdelen - werkwoorden zoeken - werkwoorden benoemen - NWG of WWG markeren

25.

De zon schijnt vandaag erg fel.

a)

In deze zin vind je een WWG.

b)

Hier vind je een NWG.