Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Ik (rennen, tt) ’s morgens graag.

a)

ren

b)

rent

c)

rende

d)

rente

2.

Ik (vinden,tt) het altijd heerlijk om te joggen.

a)

vind

b)

vindt

c)

vond

3.

Vroeger (rennen, vt) ik ook al best vaak.

a)

renden

b)

rente

c)

rende

4.

Ik (lachen, vt) vroeger wel eens tijdens het lopen.

a)

lach

b)

lachtte

c)

lachte

5.

Jij (verwaarlozen, tt) de vriendschap

a)

verwaarloosde

b)

verwaarloost

c)

verwaarloos

6.

Ik (wachten, vt) erg lang op hem

a)

wachtte

b)

wachte

c)

wachten

7.

Hij (besteden, vt) te veel tijd aan het gamen

a)

besteedde

b)

besteede

c)

bestede

8.

(verzenden, tt) je broer het cadeau nog een keer?

a)

verzendt

b)

verzend

c)

verzond

9.

Het vliegtuig (landen, vt) op het vliegveld

a)

landt

b)

lande

c)

landde

10.

Het varken (wroeten, tt) met zijn snuit in de grond

a)

vroet

b)

wroette

c)

wroet

11.

Jij (beantwoorden, vt) de vraag gisteren

a)

beantwoordde

b)

beantwoorde

c)

beantwoord

12.

Soms (worden, tt) de juf gek van het gekwebbel

a)

word

b)

wordt

c)

werd

13.

Estee (halen, tt) een hoog cijfer

a)

haalde

b)

haaltt

c)

haalt

14.

Jessica (mailen, vt) haar brief

a)

mailt

b)

mailde

15.

De fietsen van Johan (gaan, tt) helemaal kapot

a)

gaan

b)

gaat

c)

gingen

16.

Oma (verzenden, tt) een brief naar Rusland

a)

verzend

b)

verzent

c)

verzendt

17.

De bom (ontploffen, tt) gelukkig niet

a)

ontploft

b)

ontplofte

18.

Zij (breien, vt) een trui voor oma

a)

breidt

b)

breide

c)

breidde

19.

Lianne (vrezen, tt) dikke spinnen

a)

vreesde

b)

vrees

c)

vreest

20.

Henk (vergroten, vt) een tekening van zijn motor

a)

vergrote

b)

vergrootte

c)

vergroote

21.

De huizen (branden, vt) volledig uit

a)

branden

b)

brandde

c)

brandden

22.

Jullie (hakken, vt) een gat in de muur

a)

hakte

b)

haktte

c)

haktten

d)

hakten

23.

Wie (worden, tt) de president van Nederland?

a)

word

b)

worden

c)

wordt

24.

Gisteren (leiden, vt) de gidsen ons rond

a)

leiden

b)

leidde

c)

leidden

25.

de agenten (redden, vt) de kleuter uit de vijver

a)

redden

b)

reden

c)

redde

26.

Een orthopedagoog (onderzoeken, tt) hoe een kind zich ontwikkel

a)

onderzoekdt

b)

onderzoekt

c)

onderzoekd

27.

De voorzitter (houden, tt) vast aan zijn plan om deze drie bedrijven samen te voegen

a)

houdt

b)

houd

c)

hout

28.

Gisteren (wachten, vt) leerlingen te lang op de trein

a)

wachten

b)

wachtten

c)

wachte

29.

De hele wereld wacht in spanning af of de Europese Unie het nieuwe voorstel (aanvaarden, tt)

a)

aanvaardt

b)

aanvaard

c)

aanvaart

30.

Gisteravond (wachten, vt) tientallen journalisten op de aangekondigde persconferentie

a)

wachten

b)

wachte

c)

wachtten

d)

wachtte

31.

Toen twee leerlingen enkele vragen beantwoorden, vt) werd nog niet alles duidelijk

a)

beantwoordden

b)

beantwoorden

c)

beantwoordde

d)

beantwoorde

32.

Als voorbeeld (gelden, tt) een wijziging van het in Maastricht gesloten verdrag.

a)

geld

b)

geldt

c)

gelt

33.

(Vinden, tt) u het normaal dat de rijkere landen de minder rijke landen financieel steunen?

a)

vind

b)

vindt

c)

vond

34.

Om de zaak zo goed mogelijk voor te bereiden (verplichten,vt) de advocaat zich alle stukken goed te lezen.

a)

verplichtte

b)

verplichte

35.

De fietser (fietsen, vt) naar zijn werk

a)

fietste

b)

fietst

c)

fietsten