wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hst 6 Beweging, eenparig, versneld, vertraagd, gemiddeld

Total questions: 31

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Een afstand-tijddiagram met een fout erin. Wat is er fout aan het diagram?

a)

De eenheden voor afstand en tijd kloppen niet.

b)

De horizontale as en de verticale as zijn verwisseld.

c)

De schaalverdeling langs de afstand-as klopt niet.

d)

De schaalverdeling langs de tijd-as klopt niet.

2.
Runa heeft van een fietstocht een afstand-tijdtabel gemaakt. Zij maakt een afstand-tijddiagram en tekent daar een lijn in. Wat voor lijn moet dat zijn?
a)
een lijn die zo goed mogelijk aansluit bij de punten in het assenstelsel
b)
een rechte lijn tussen de eerste en de laatste punt in het assenstelsel
c)
kromme lijnen tussen alle punten in het assenstelsel
d)
rechte lijnen tussen de verschillende punten in het assenstelsel
3.
Een wandeling van 12 km heeft 3 uur geduurd. Wat was de gemiddelde snelheid?
a)
0,25 km/h
b)
4 km/h
c)
9 km/h
d)
36 km/h
4.
Een topsporter loopt 100 m in 10 s. Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
a)
2,8 km/h
b)
10 km/h
c)
28 km/h
d)
36 km/h
5.
Een motorrijder rijdt 15 minuten met een gemiddelde snelheid van 78 km/h. Hoeveel kilometer legt hij in die tijd af?
a)
5,2 km
b)
19,5 km
c)
20,5 km
d)
82 km
6.

Een afstand-tijddiagram. Wat voor beweging is dit?

a)

een eenparige beweging

b)

een versnelde beweging

c)

een vertraagde beweging

7.
Een auto komt hard aanrijden en moet plotseling stoppen voor een rood verkeerslicht. Wat voor beweging is dit?
a)
een eenparige beweging
b)
een versnelde beweging
c)
een vertraagde beweging
8.
Een auto die 80 km/h rijdt, heeft een kortere remweg dan een auto die 90 km/h rijdt. Hoe komt dat?
a)
De beginsnelheid is dan kleiner.
b)
De massa is dan groter.
c)
De remkracht is dan groter.
9.
Een bestuurder ziet plotseling een fietser van het fietspad de weg op rijden. Hij trapt 0,8 s daarna op de rem. Wat kun je zeggen over de reactietijd van deze bestuurder?
a)
Hij heeft een langzame reactie.
b)
Hij heeft een normale reactie.
c)
Hij heeft een snelle reactie.
10.
Je hebt de reactieafstand, de remweg en de stopafstand. Welke berekening klopt?
a)
stopafstand = reactieafstand – remweg
b)
stopafstand = remweg – reactieafstand
c)
stopafstand = reactieafstand + remweg
11.
Welke twee uitspraken zijn goed?
a)
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactieafstand ook groter.
b)
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactietijd ook groter.
c)
Als de reactietijd groter wordt, dan blijft de remweg hetzelfde.
d)
Als de reactietijd groter wordt, dan wordt de stopafstand kleiner.
12.
Een wandeling van een halve kilometer heeft 15 minuten geduurd. Wat was de gemiddelde snelheid?
a)
2 km/h
b)
3,75 km/h
c)
7,5 km/h
d)
15 km/h
13.
Een topsporter loopt 200 m in 20 s. Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
a)
2,8 km/h
b)
10 km/h
c)
28 km/h
d)
36 km/h
14.
Een motorrijder rijdt 20 minuten met een gemiddelde snelheid van 90 km/h. Hoeveel kilometer legt hij in die tijd af?
a)
4,5 km
b)
20 km
c)
30 km
d)
90 km
15.

Een stroboscopische foto van een fietser. Wat voor beweging is dit?

a)

een eenparige beweging

b)

een versnelde beweging

c)

een vertraagde beweging

16.

Een afstand-tijddiagram. Wat voor beweging is dit?

a)

een eenparige beweging

b)

een versnelde beweging

c)

een vertraagde beweging

17.
Een auto staat stil voor een rood verkeerslicht. Als het verkeerslicht op groen springt, trekt de auto op en rijdt na 6 s met een constante snelheid van 50 km/h.
a)
een eenparige beweging
b)
een versnelde beweging
c)
een vertraagde beweging
18.
Als je iemand achter op je fiets hebt, wordt je remweg langer. Hoe komt dat?
a)
De beginsnelheid is dan kleiner.
b)
De massa is dan groter.
c)
De remkracht is dan groter.
19.
Een bestuurder ziet plotseling een fietser van het fietspad de weg op rijden. Hij trapt 0,6 s daarna op de rem. Wat kun je zeggen over de reactietijd van deze bestuurder?
a)
Hij heeft een langzame reactie.
b)
Hij heeft een normale reactie.
c)
Hij heeft een snelle reactie.
20.
Je hebt de reactieafstand, de remweg en de stopafstand. Welke berekening klopt?
a)
reactieafstand = stopafstand – remweg
b)
remweg = reactieafstand + stopafstand
c)
stopafstand = reactieafstand – remweg
21.
Welke uitspraak is goed?
a)
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactieafstand ook groter.
b)
Als de beginsnelheid groter is, dan wordt de reactietijd ook groter.
c)
Als de reactietijd groter wordt, dan wordt de stopafstand kleiner.
22.
In welke eenheid wordt de snelheid van een auto aangegeven?
a)
kilometer per seconde
b)
kilometer per uur
c)
meter per seconde
d)
meter per uur
23.
Tom gaat met zijn ouders op vakantie. De afstand is 200 km. Ze doen er vier uur over om op de plaats van bestemming te komen. Tom rekent uit: 200 : 4 = 50. Wat heeft Tom uitgerekend?
a)
de gemiddelde snelheid
b)
de grootste snelheid
c)
de kleinste snelheid
d)
de veiligste snelheid
24.
Hoe noem je een beweging waarvan de snelheid kleiner wordt?
a)
ingehouden beweging
b)
langzame beweging
c)
stoppende beweging
d)
vertraagde beweging
25.
Hoe komt het dat de remweg van een vrachtwagen langer is dan die van een auto?
a)
Een vrachtwagen heeft een grotere lengte.
b)
Een vrachtwagen heeft een grotere massa.
c)
Een vrachtwagen heeft slechter contact met de weg.
d)
Een vrachtwagen heeft slechtere remmen.
26.

Welke bewering over de reactie-tijd is goed?

a)

Als je drugs of alcohol hebt gebruikt, is je reactie-tijd langer.

b)

Als je drugs of alcohol hebt gebruikt, is je reactie-tijd korter.

c)

Als je vermoeid bent, is je reactie-tijd korter dan wanneer je fit bent.

d)

Als je ouder bent, is je reactie-tijd korter dan wanneer je jonger bent.

27.

Hans rijdt in een auto. Een andere auto botst van voren tegen hem aan. Wat kan er met Hans gebeuren als hij de veiligheids-gordel niet om heeft?

a)

Hij kan naar achteren schieten.

b)

Hij kan uit zijn stoel vliegen.

c)

Hij schuift opzij tegen de deur.

28.
Een zeilboot moet worden gerepareerd. De zeilboot wordt door een hijskraan uit het water getakeld. Welk soort kracht levert de hijskraan?
a)
elektrische kracht
b)
magnetische kracht
c)
mechanische kracht
d)
veerkracht
29.
Welke bewering over hefbomen is juist?
a)
De kracht is het grootst bij de korte kant van de hefboom.
b)
De kracht is even groot bij de korte en de lange kant van de hefboom.
c)
De kracht is het grootst bij de lange kant van de hefboom.
30.
Door welke kracht gaat een surfplank op het water vooruit?
a)
spierkracht
b)
waterkracht
c)
windkracht
d)
zwaartekracht
31.
Welke bewering over veiligheids-maatregelen in een auto is juist?
a)
Bij een botsing houdt de hoofdsteun je hoofd tegen als dat naar voren klapt.
b)
Bij een botsing staat de auto sneller stil door de kreukel-zone.
c)
Bij een botsing wordt de airbag langzaam vol geblazen met lucht.
d)
Bij een botsing wordt de kracht op je lichaam kleiner door de autogordel.