wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

klas 1 herhaling theorie leesvaardigheid

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat wordt bedoeld met de hoofdgedachte van een tekst?

a)

De titel van de tekst.

b)

De belangrijkste zin van een tekst.

c)

De tekst samengevat in één tot twee zinnen.

2.

Wat doe je als je een tekst verkennend leest?

a)

Je leest alles wat in die tekst staat.

b)

Je leest alles uit de tekst en probeert het te onthouden.

c)

Je leest de titel, kijkt naar plaatjes, leest eerste zinnen van alinea's.

d)

Je kijkt of je het antwoord op je vraag in de tekst vindt

3.

Wat wordt bedoeld met een betoog?

a)

Een tekst die informatie geeft.

b)

Een tekst die je vermaakt.

c)

Een tekst die je activeert.

d)

Een tekst die een mening geeft.

4.

Wat wordt bedoeld met tekstopbouw?

a)

De tekst bevat inleiding, midden en slot.

b)

De tekst heeft drie alinea's,

c)

De tekst bevat drie hoofdstukken.

d)

De tekst heeft drie tussenkopjes.

5.

Wat is een tekstverband?

a)

De schrijver zorgt dat meerdere teksten met elkaar te maken hebben.

b)

De schrijver zorgt ervoor dat je de tekst goed begrijpt.

c)

De schrijver zorgt ervoor dat zinnen/ alinea's met elkaar te maken hebben.

d)

De schrijver zorgt dat de titel met de tekst te maken heeft.

6.

Wat zijn signaalwoorden?

a)

Woorden die je een seintje geven dat de schrijver een tekstverband gebruikt.

b)

Woorden die belangrijk zijn.

c)

Woorden die een seintje geven dat een woord naar iets anders verwijst.

d)

Woorden die cursief of dikgedrukt zijn in de tekst.

7.

Welk tekstverband staat in de volgende zin:

In de Efteling staan veel leuke attracties, bijvoorbeeld de Vogel Rok en de Fata Morgana.

a)

Vergelijkend tekstverband

b)

Opsommend tekstverband

c)

Tegenstellend tekstverband

d)

Toelichtend tekstverband

8.

Wat is informatie?

a)

Als je informatie geeft, geef je vooral voorbeelden.

b)

Als je informatie geeft, geef je aan wat je van iets vindt.

c)

Als je informatie geeft, geef je vooral feiten.

9.

Wat voor tekstdoel heeft onderstaande tekst?:

Start met een reep papier en maar een knoop aan het eind. Trek er zachtjes aan en druk de knoop plat. Pak de lange kant van de reep en sla die om.

a)

Informatieve tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Betogende tekst

d)

Activerende tekst

10.

In welke van de teksten hieronder vinden we vaak een tweedeling (inleiding en middenstuk)?

a)

In een nieuwsbericht.

b)

In een recensie.

c)

In een reclametekst.

11.

Welk tekstverband geeft het signaalwoord 'eerst' aan?

a)

Opsommend tekstverband.

b)

Tegenstellend tekstverband

c)

Chronologisch tekstverband

d)

Toelichtend tekstverband.

12.

Wat wordt bedoeld met 'globaal lezen'?

a)

Je leest de titel, tussenkopjes en andersgedrukte woorden

b)

Je leest de inleiding/ het slot en eerste en laatste zin van elke alinea

c)

Je leest de tekst helemaal

d)

Je probeert in de tekst antwoord te zoeken op je vraag

13.

Wat is een 'kernzin'?

a)

De belangrijkste zin van de hele tekst

b)

De belangrijkste zin in het slot

c)

De belangrijkste zin van een alinea

d)

Geeft het belangrijkste weer, wat in een tekst gezegd wordt.