wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stoffels Eenmanszaak deel 1 H4

Total questions: 20

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Welke stelling is goed of fout?

I. Vooruitbetaalde bedragen is een uitstelpost.

II. Nog te ontvangen bedragen is een anticipatiepost.

a)

Beide zijn goed.

b)

Beide zijn fout.

c)

I is goed en II is fout.

d)

I is fout en II is goed.

2.

De sociale premies die een werkgever inhoudt op het brutoloon van zijn werknemers maken deel uit van:

a)

de kosten van het vermogen.

b)

de kosten van diensten van derden.

c)

de kosten van de gezondheidszorg.

d)

de kosten van arbeid.

e)

de kostprijsverlagende belastingen.

3.

Een ondernemer heeft op 2 januari 2012 een 6% lening afgesloten groot € 200.000. Telkens op 2 januari voor het eerst in 2013 betaalt hij achteraf de interest over het voorbije jaar. Op die datum lost hij ook telkens € 10.000 af. De ondernemer past de permanentie toe met maandelijkse resultatenbepaling.

Bereken het totale bedrag dat de ondernemer op 2 januari 2019 moet betalen.

a)

€ 17.800

b)

€ 19.000

c)

€ 18.400

d)

€ 7.800

e)

€ 8.400

4.

Een ondernemer heeft op 2 januari 2012 een 6% lening afgesloten groot € 200.000. Telkens op 2 januari voor het eerst in 2013 betaalt hij achteraf de interest over het voorbije jaar. Op die datum lost hij ook telkens € 10.000 af. De ondernemer past de permanentie toe met maandelijkse resultatenbepaling.

Bereken de interestkosten in de maand maart 2021.

a)

€ 550

b)

€ 600

c)

€ 650

d)

€ 1.800

e)

€ 1.950

5.

Een ondernemer heeft op 2 januari 2012 een 6% lening afgesloten groot € 200.000. Telkens op 2 januari voor het eerst in 2013 betaalt hij achteraf de interest over het voorbije jaar. Op die datum lost hij ook telkens € 10.000 af. De ondernemer past de permanentie toe met maandelijkse resultatenbepaling.

Bereken met welk bedrag de lening op de balans staat op 1 januari 2024.

a)

€ 100.000

b)

€ 90.000

c)

€ 80.000

d)

€ 70.000

6.

Ondernemer Groothuis heeft een machine aangeschaft voor € 170.000. De installatiekosten bedroegen € 10.000; beide bedragen exclusief 21% btw. De machine wordt afgeschreven in 8 jaar waarbij ondernemer Groothuis er van uitgaat dat zij bij inruil nog € 12.000 voor de machine terug ontvangt. De verwachte sloopkosten bedragen € 4.000. Groothuis schrijft elk jaar af met gelijke bedragen.

Bereken de afschrijvingskosten per maand.

a)

€ 2.132,08

b)

€ 1.791,67

c)

€ 1.750

d)

€ 1.645,83

7.

Ondernemer Groothuis heeft een machine aangeschaft voor € 170.000. De installatiekosten bedroegen € 10.000; beide bedragen exclusief 21% btw. De machine wordt afgeschreven in 8 jaar waarbij ondernemer Groothuis er van uitgaat dat zij bij inruil nog € 12.000 voor de machine terug ontvangt. De verwachte sloopkosten bedragen € 4.000. Groothuis schrijft elk jaar af met gelijke bedragen.

Bereken het jaarlijks afschrijvingspercentage over het oorspronkelijke investeringsbedrag.

a)

11,94%

b)

11,67%

c)

11,61%

d)

11,34%

8.

Ondernemer Groothuis heeft een machine aangeschaft voor € 170.000. De installatiekosten bedroegen € 10.000; beide bedragen exclusief 21% btw. De machine wordt afgeschreven in 8 jaar waarbij ondernemer Groothuis er van uitgaat dat zij bij inruil nog € 12.000 voor de machine terug ontvangt. De verwachte sloopkosten bedragen € 4.000. Groothuis schrijft elk jaar af met gelijke bedragen.

Bereken de boekwaarde van de machine aan het begin van het 4de jaar.

a)

€ 119.250

b)

€ 117.000

c)

€ 115.500

d)

€ 109.250

9.

Bij de arbeidskosten bestaat de wig uit

a)

het verschil tussen bruto en netto loon

b)

de loonheffing

c)

de sociale premies voor de werknemer

d)

het verschil tussen de loonkosten en het netto loon

10.

Op 31 mei 2014 rijdt Joshua Freitas zijn dienstauto van € 26.000, waarop tot en met december 2013 € 20.000 was afgeschreven, total loss. Van de verzekeringsmaatschappij ontvangt Joshua € 4.200 exclusief 21% btw. Op de auto werd per maand € 500 afgeschreven.

De afschrijving over 2014 heeft nog niet plaats gevonden.

Bereken de winst of het verlies bij deze transactie.

a)

€ 700 winst

b)

€ 1.800 verlies

c)

€ 1.800 winst

d)

€ 4.200 verlies

e)

€ 4.200 winst

11.

Janette van Boekel leent op 1 april 2014 € 140.000 bij de Obarbank. Met de bank heeft zij afgesproken dat zij de rente halfjaarlijks betaald te beginnen op 1 oktober 2014. Ieder jaar te beginnen op 1 april 2015 lost zij € 10.000 af. De interest bedraagt 6,6%.

Bereken de interestkosten in 2018.

a)

€ 7.260

b)

€ 7.095

c)

€ 6.995

d)

€ 6.765

e)

€ 6.600

12.

Janette van Boekel leent op 1 april 2014 € 140.000 bij de Obarbank. Met de bank heeft zij afgesproken dat zij de rente halfjaarlijks betaald te beginnen op 1 oktober 2014. Ieder jaar te beginnen op 1 april 2015 lost zij € 10.000 af. De interest bedraagt 6,6%.

Bereken de interestuitgaven in 2018.

a)

€ 7.260

b)

€ 7.095

c)

€ 6.930

d)

€ 6.765

e)

€ 6.600

13.

Kosten en opbrengsten hebben invloed op het eigen vermogen van een onderneming.

a)

Goed

b)

Fout

14.

Ontvangsten en uitgaven hebben invloed op het liquide middelen van een onderneming.

a)

Goed

b)

Fout

15.

Gegeven zijn de volgende stellingen.

I. Afschrijvingen en winstuitkeringen behoren tot de uitgaven en staan daarom op de liquiditeitsbegroting.

II. Aflossingen en investeringen behoren tot de uitgaven en staan daarom op de resultatenbegroting.

a)

Alleen stelling I is juist.

b)

Alleen stelling II is juist.

c)

Beide stellingen zijn juist.

d)

Beide stellingen zijn onjuist.

16.

Privé opnamen door de eigenaar van een eenmanszaak

a)

behoren tot de kosten van het bedrijf en verlagen daarom het eigen vermogen.

b)

behoren niet tot de kosten van het bedrijf maar verlagen het eigen vermogen wel.

c)

behoren tot de uitgaven van het bedrijf en verlagen daarom altijd de liquide middelen.

d)

behoren tot de uitgaven van bedrijf en verlagen daarom nooit het eigen vermogen.

17.

Het eigen vermogen van een eenmanszaak is tussen het begin en het einde van het boekjaar veranderd met

a)

het winst- of verliessaldo.

b)

de mutatie van de liquide middelen.

c)

het winst- of verliessaldo samen met het saldo van privé stortingen en privé opnamen.

d)

het saldo van privé stortingen en privé opnamen.

18.

Gegeven zijn de volgende stellingen.

I. Het doen van investeringen zijn altijd uitgaven en nooit kosten.

II. Het nemen van een lening zijn altijd ontvangsten en nooit opbrengsten.

a)

Alleen stelling I is juist.

b)

Alleen stelling II is juist.

c)

Beide stellingen zijn juist.

d)

Beide stellingen zijn onjuist.

19.

Gegeven zijn de volgende stellingen.

I. Liquide middelen kunnen nooit een negatief bedrag zijn.

II. Liquide activa kunnen nooit een negatief bedrag zijn.

a)

Alleen stelling I is juist.

b)

Alleen stelling II is juist.

c)

Beide stellingen zijn juist.

d)

Beide stellingen zijn onjuist.

20.

Deze quiz over hoofdstuk 4 is

a)

veel te makkelijk.

b)

leuk.

c)

veel te moeilijk.

d)

veel te kort.

e)

veel te lang.