wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2basis hoofdstuk 8 licht paragraaf 1+2+3

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke van deze lichtbronnen zijn natuurlijke lichtbronnen?

a)

de zon

b)

een kaars

c)

de bliksem

d)

een ster

2.

Een kunstmatige lichtbron is door mensen gemaakt.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Welke van deze lichtbronnen zijn kunstmatige lichtbronnen?

a)

een kaars

b)

een zaklamp

c)

een zon

d)

een ster

4.

Een natuurlijke lichtbron is door mensen gemaakt.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Je kunt alleen dingen zien die zelf licht geven.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Lichtstralen gaan

......

in een rechte lijn.

a)

altijd

b)

soms

c)

nooit

7.

Als overdag de zon schijnt, kun je je omgeving goed zien. Waarom kun je overdag de omgeving goed zien?

a)

omdat overdag alle voorwerpen zelf licht geven

b)

alle voorwerpen weerkaatsen het zonlicht

c)

omdat de warmte van de zon je ogen bereikt

d)

de zon geeft overdag ook warmte

8.

Op tafel staat een brandende kaars.

De kaars straalt licht uit in .....

a)

alle richtingen

b)

sommige richting

c)

één richting

9.

Wat is een lichtbundel?

a)

een groep lichtstralen die alle kanten op gaan

b)

een groep lichtstralen die één kant op gaan

c)

een groep lichtstralen die weerkaatst worden door een voorwerp

d)

een groep lichtstralen die niet in een rechte lijn gaan

10.

Wit licht bestaat uit alle kleuren van het spectrum.

a)

waar

b)

niet waar

11.

Wat zie je als wit licht door een prisma gaat?

a)

een bredere bundel wit licht

b)

een bundel rood licht en een bundel blauw licht

c)

licht in alle kleuren van de regenboog

d)

niets, het prisma houdt de lichtstralen tegen

12.

Wit licht bestaat uit twee kleuren licht: rood en blauw.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Hoe ontstaat een regenboog?

a)

doordat het zonlicht gebroken wordt door de wolken

b)

doordat het zonlicht gebroken wordt door regendruppels

c)

doordat het zonlicht weerkaatst wordt door de wolken

d)

doordat het zonlicht weerkaatst wordt door regen

14.

Wat zie je op deze afbeelding?

a)

de lichtstraal van een gloeilamp

b)

de lichtstraal van een laser

c)

het kleuren-spectrum van een gloeilamp

d)

het kleuren-spectrum van een laser

15.

Het licht van een gloeilamp is een mengkleur.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Het spectrum van het licht van een gloeilamp is bijna hetzelfde als het spectrum van het licht van ....

a)

de zon

b)

een laser

17.

Het licht van een laser is een mengkleur.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Op het beeld van een tv zie je alle kleuren van het spectrum. Toch worden in een tv maar drie kleuren licht gebruikt. Welke drie kleuren licht worden in een tv gebruikt?

a)

wit, zwart, rood

b)

rood, geel, oranje

c)

rood, wit, blauw

d)

rood, groen, violet

19.

Welke kleur licht krijg je als je rood en groen licht mengt?

a)

violet

b)

blauw

c)

geel

d)

roze

20.

Een rode auto kaatst rood licht terug.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Er valt wit licht op een zwarte vloer. Wat is waar?

a)

alle kleuren worden weerkaatst door de vloer

b)

alle kleuren worden opgenomen door de vloer

c)

alleen de witte lichtstralen worden weerkaatst door de vloer

d)

alleen de zwarte lichtstralen worden weerkaatst door de vloer

22.

Er valt wit licht op een witte muur. Wat is waar?

a)

alle kleuren worden opgenomen door de muur

b)

alle kleuren licht worden weerkaatst door de muur

c)

alleen het rode, blauwe en violette licht wordt opgenomen door de muur

d)

alleen het rode, blauwe en violette licht worden weerkaatst door de muur

23.

Lichtgolven hebben een tussenstof nodig.

a)

waar

b)

niet waar

24.

Schaduw is de plaats waar het licht van een lichtbron niet kan komen.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Hoe komt het dat de voetballer op de afbeelding drie schaduwen heeft?

a)

omdat de zon heel laag staat

b)

omdat er 3 verschillende licht bronnen op hem schijnen

c)

omdat het licht in 3 richtingen weerkaatst wordt

d)

omdat hij snel beweegt

26.

Randstralen maken de omtrek van de schaduw.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Je staat voor de spiegel en zwaait met je rechterhand. Je spiegelbeeld lijkt te zwaaien met je linkerhand.

a)

waar

b)

niet waar

28.

Je staat voor de spiegel en doet een stap naar voren. Wat doet je spiegelbeeld?

a)

een stap naar voren

b)

een stap naar achteren

c)

een stap naar links

d)

een stap naar rechts

29.

Je staat voor de spiegel en steekt je linkerarm omhoog. Je spiegelbeeld lijkt ook de linkerarm omhoog te doen.

a)

waar

b)

niet waar

30.

Waarom staat het woord 'ambulance' op deze auto in spiegelschrift?

a)

zodat de bestuurder van de ambulance het zelf goed kan lezen

b)

zodat het beter opvalt in het drukke verkeer

c)

zodat je het kunt lezen in de achteruitkijk spiegel als je voor de ambulance rijd

d)

zodat je het goed kunt lezen als je de ambulance tegenmoet komt

31.

Een woord is geschreven in spiegel-schrift. Je houdt dit woord voor de spiegel. Nu kun je het woord lezen als gewoon schrift.

a)

waar

b)

niet waar