Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets H5

Total questions: 32

Worksheet time: 45mins

Name
Class
Date
1.
Wat is een synoniem voor regen
a)
neerslag
b)
hagel
c)
water
d)
vocht
2.
Wat is een synoniem van klimaat?
a)
woestijn
b)
regenwoud
c)
kou
d)
weersomstandigheden
3.
de
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
4.
fiets
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
5.
grote
a)
lidwoord
b)
zelfstandig naamwoord
c)
anders
6.

Welk lidwoord past in de volgende zin?

"Hij is met ____ jacht op de rotsen gevaren."

a)

Het

b)

De

7.

Welk lidwoord past in de volgende zin?

"Je zal niet veel vissen vangen als je ____ aas niet aan je haak

doet."

a)

De

b)

Het

8.
Ik koop een bal.
a)
ik
b)
koop
c)
een
d)
bal
9.
De leerkracht is master
a)
de
b)
leerkracht
c)
is
d)
master
10.
Het snelle konijn werd niet gevangen.
a)
snelle
b)
konijn
c)
werd
d)
gevangen
11.

Valerie (beleven) een leuke tijd in Firenze.

a)

beleevt

b)

beleefdt

c)

beleeft

d)

beleefd

12.

Ze heeft zich bij het begin van de week (voorstellen).

a)

voorgesteld

b)

voorgestelt

c)

voorgesteldt

d)

voor gesteld

13.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn neef ________ mijn ouders een cadeau.
a)
geeft
b)
geef
c)
geevt
d)
geven
14.
Welk werkwoord hoort in de zin?
Mijn ouders ________ mijn neef een cadeau.
a)
geeft
b)
geeven
c)
geefen
d)
geven
15.

(de) dikke (man)

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

bijwoord

16.

de

a)

onbepaald lidwoord

b)

bepaald lidwoord

c)

bijwoord

d)

voorzetsel

17.

Hoe heet het gekleurde woord?

De mooie bloem staat in de glazen vaas

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

voegwoord

d)

voorzetsel

18.

Hoe heet het gekleurde woord?

Het meisje heeft mooi lange vlechten in het haar

a)

lidwoord

b)

voegwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

19.
Tot welke woordsoort behoort het woord "appeltaart"
a)
voegwoord
b)
lidwoord
c)
zelfstandig naamwoord
d)
voorzetsel
20.

Zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

a)

lidwoord

b)

voorzetsels

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

21.
De stam van een werkwoord vind je door:
a)
meervoud van maken
b)
andere tijd zetten
c)
vragend te maken
d)
door de laatste 2 letters (en) weg te halen
22.
Vul de TT in bij de volgende zin: Hij (berekenen) de cijfers van de SO
a)
berekend
b)
berekendt
c)
berekent
d)
berekende
23.
Vul de TT in bij de volgende vraag: Deze hond (grommen) de  hele week
a)
gromde
b)
gromdt
c)
gromte
d)
gromt
24.

Welke uitgang heeft de vergrotende trap?

a)

-en

b)

-er

c)

-sten

d)

-esten

25.
Welke trap is goed?
a)
leuk-leukst-leuker
b)
leuk-leuker-leukst
26.
Welke trap is goed?
a)
goed-beter-best
b)
goed-goeder-goedst
27.
Die kaars heeft de hele nacht (branden).
a)
gebranden
b)
gebrand
c)
gebrandt
d)
gebrant
28.
De 80-jarige heeft gisteren voor het eerst (zweefvliegen).
a)
zweefgevlogen
b)
zweefgevliegd
c)
gezweefvlogen
d)
gezweefvliegd
29.
De trein is op tijd (vertrekken), hoor!
a)
vertrokken
b)
vertrekt
c)
vertrokt
d)
vertrokd
30.
Wat is het meervoud van rund? 
a)
runds
b)
runderen
c)
runden
31.
Wat is het meervoud van knikker?
a)
knikkeren
b)
knikker's
c)
knikkers
32.
Wat is het meervoud van baby? 
a)
babies
b)
babys
c)
baby's