wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 basis hoofdstuk 8 licht paragraaf 4+5

Total questions: 27

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Een bolle lens is in het midden dikker dan aan de randen.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Waar in een bolle lens gaat de lichtstraal rechtdoor?

a)

overal

b)

alleen aan de rand

c)

alleen precies in het midden

d)

nergens

3.

Een bolle lens breekt de lichtstralen .....

a)

naar elkaar toe

b)

van elkaar af

4.

Het beeld van een bolle lens staat altijd rechtop.

a)

waar

b)

niet waar

5.

In welke voorwerpen zit een lens?

a)

camera

b)

bril

c)

prisma

d)

verrekijker

6.

Vanuit een lichtpunt gaan lichtstralen door een bolle lens. Het punt waar de lichtstralen weer samenkomen, heet het beeldpunt.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Wanneer is een beeld onscherp?

a)

als het beeld voor het scherm valt

b)

als het beeld op het scherm valt

c)

als het beeld achter het scherm valt

8.

Wat doe je bij scherpstellen?

a)

je veranderd de afstand tussen het voorwerp en het scherm

b)

je veranderd de afstand tussen het voorwerp en de lens

c)

je veranderd de afstand tussen de lens en het scherm

9.

Evenwijdige lichtstralen gaan door een bolle lens. De lichtstralen komen samen in het brandpunt.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Hoe heet de lijn precies door het midden van een lens?

a)

de beeldlijn

b)

de brandlijn

c)

de hoofdas

d)

de randstraal

11.

Het brandpunt van een lens is aan de voorkant anders dan aan de achterkant.

a)

waar

b)

niet waar

12.

Wat is de brandpunts-afstand?

a)

de afstand tussen de lens en het brandpunt

b)

de afstand tussen het beeld en het brandpunt

c)

de afstand tussen het brandpunt en de hoofdas

d)

de afstand tussen het brandpunt en de lichtbron

13.

Je construeert een beeld van een voorwerp voor een bolle lens. Wat is waar?

a)

het beeld is groter dan het voorwerp en staat rechtop

b)

het beeld is groter dan het voorwerp en staat op zijn kop

c)

het beeld is kleiner dan het voorwerp en staat rechtop

d)

het beeld is kleiner dan het voorwerp en staat op zijn kop

14.

De afstand tussen het voorwerp en de lens is de voorwerps-afstand.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Een lichtstraal valt in je oog. Door welk deel van je oog gaat de lichtstraal eerst?

a)

iris

b)

netvlies

c)

pupil

d)

hoornvlies

16.

Kijk naar de afbeelding. Welk deel van het oog zie je bij nummer 4?

a)

ooglens

b)

glasachtig lichaam

c)

hoornvlies

d)

netvlies

17.

Je komt in het 's avonds laat thuis. Je stapt van een donkere straat een fel verlichte kamer binnen. Wat gebeurt er met je pupillen?

a)

ze worden groter

b)

ze worden kleiner

c)

ze blijven even groot

18.

Accomoderen betekent dat je ooglenzen van vorm veranderen.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Als je een tekst moet lezen, is je ooglens heel bol.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Je kijkt naar een vogel die heel hoog in de lucht vliegt. Je ooglens is nu heel bol.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Een afstands-bediening werkt met ultra-violet licht.

a)

waar

b)

niet waar

22.

Wanneer kun je infra-rood-straling zien?

a)

alleen overdag

b)

alleen 's nachts

c)

altijd

d)

nooit

23.

Door uv-straling kleurt je huid bruin.

a)

waar

b)

niet waar

24.

Waarvoor wordt ultra-violet-straling gebruikt?

a)

voor afstandsbedieningen

b)

voor zuinige lampen

c)

om 's nachts foto's te maken

d)

om te controleren of bankbiljetten echt zijn

25.

Alle stoffen laten röntgen-straling door.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Waarvoor wordt röntgen-straling gebruikt?

a)

voor afstandsbedieningen

b)

om foto's van botten in een lichaam te maken

c)

om 's nachts foto's te maken

d)

om te controleren of bankbiljetten echt zijn

27.

Röntgen-straling wordt tegengehouden door lood.

a)

waar

b)

niet waar