Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling aardrijkskunde juni

Total questions: 46

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Hoe groter het drukverschil tussen het hoge- en lageluchtdrukgebied, hoe ____________ wind.

a)

meer

b)

minder

2.

In de winter is de zeelucht:

a)

verzachtend

b)

verfrissend

3.

In de zomer is zeelucht:

a)

verfrissend

b)

verzachtend

4.

Voor België komt landlucht uit het:

a)

westen

b)

oosten

5.

Voor België komt zeelucht uit het:

a)

oosten

b)

westen

6.

Welke menselijke activiteiten worden NIET beïnvloed door het weer?

a)

voeding

b)

kleding

c)

onderwijs

d)

recreatie

7.

Waarom wordt suikerriet hier niet geteeld?

a)

Belgen lusten geen suikerriet.

b)

Het klimaat is ongeschikt.

c)

Suikerbiet is goedkoper.

8.

Welke klimaatzone bestaat NIET?

a)

tropisch klimaat

b)

gematigd klimaat

c)

polair klimaat

d)

soppolair klimaat

9.

De bovenste laag van de aardkorst noemen we ___________

a)

de bodem

b)

de ondergrond

10.

Humus vind je in de ______________________

a)

bodem

b)

ondergrond

11.

Humus is het deel van de aarde waar je __________ vindt.

a)

voedingsstoffen voor dieren

b)

meststoffen

c)

voedingsstoffen voor planten

12.

Welke gesteenten bestaan uit korrels?

a)

vaste gesteenten

b)

losse gesteenten

13.

Zand en grind zijn voorbeelden van:

a)

losse gesteenten

b)

vaste gesteenten

14.

Marmer en leisteen zijn:

a)

losse gesteenten

b)

vaste gesteenten

15.

Hoe groter de korrels van een los gesteente, hoe _________ het water doorsijpelt.

a)

trager

b)

sneller

16.

Hoe groter de korrels van losse gesteenten, hoe ____ de doorlaatbaarheid.

a)

beter

b)

slechter

17.

Hoe groter de korrels van een los gesteente, hoe sneller het water de voedingsstoffen wegspoelt en hoe _______ de bodem is.

a)

armer

b)

rijker

18.

Leembodems zijn:

a)

arme bodems

b)

rijke bodems

19.

Zandbodems zijn:

a)

arme bodems

b)

rijke bodems

20.

Bodemerosie is:

a)

het verhogen van de kwaliteit van de bodem

b)

het verstuiven van de bodem

c)

het wegspoelen van de bodem

21.

Welk landbouwtype komt NIET voor in belgië?

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

plantageteelt

d)

tuinbouw

e)

gemengde landbouw

22.

Welk landbouwtype herken je op de foto?

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

tuinbouw

d)

plantageteelt

23.

Welk landbouwtype herken je op de foto?

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

tuinbouw

d)

plantageteelt

24.

Welk landbouwtype herken je op de foto?

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

tuinbouw

d)

plantageteelt

25.

Welk landbouwtype herken je op de foto?

a)

akkerbouw

b)

veeteelt

c)

tuinbouw

d)

plantageteelt

26.

Bij duurzaamheid wordt rekening gehouden met:

a)

Planet, People, Project

b)

Planet, People, Profit

c)

Planet, Product, People

27.

Welke reliëfelementen (H's) heb je nodig om het reliëf te bestuderen?

a)

horizon, hellingsgraad, hoogte, helling

b)

horizon, hoogteligging, hoogteverschil, hoogte

c)

horizon, hoogteligging, hoogteverschil, helling

28.

Een zwak reliëf is een reliëf met:

a)

weinig uitgesproken hoogteverschillen

b)

grote uitgesproken hoogteverschillen

29.

Reliëf is:

a)

het verschil in hoogte en laagten in het landschap, de oneffenheden in het landschap

b)

het verschil in hoogte tussen verschillende bergen

30.

Een sterk reliëf is:

a)

een reliëf met weinig uitgesproken hoogteverschillen

b)

een reliëf met grote uitgesproken hoogteverschillen

31.

Welke helling is een steile helling?

a)

A

b)

B

32.

Om het klimaat te bespreken onderzoeken we:

a)

de neerslag en de temperatuur

b)

de neerslag

c)

de temperatuur

33.

De wind waait steeds van een hogeluchtdrukgebied naar een lageluchtdrukgebied.

a)

juist

b)

fout

34.

Welk stroomgebied komt NIET voor in België?

a)

IJzerbekken

b)

Loirebekken

c)

Scheldebekken

d)

Rijnbekken

35.

Erosie staat voor:

a)

uitschuring en/of transport van gesteenten

b)

afzetting van gesteenten

36.

Wat is een meander?

a)

een bocht in een kanaal

b)

een oever van de rivier

c)

een bocht in de rivier

37.

Als je kijkt van de bron naar de monding, dan is rechts van jou :

a)

de linkeroever

b)

de rechteroever

38.

Als je kijkt van monding naar bron, dan is rechts van jou:

a)

de rechteroever

b)

de linkeroever

39.

Welke oever wordt op de afbeelding met een rode bol weergegeven?

a)

bolle oever

b)

holle oever

40.

Hoe bereken je de bevolkingsdichtheid van een gebied?

a)

oppervlakte / aantal inwoners

b)

aantal inwoners / oppervlakte

c)

aantal inwoners x oppervlakte

41.

Welke functie van de stad herken je op de foto?

a)

commerciële functie

b)

administratieve functie

c)

woonfunctie

d)

ontspanningsfunctie

42.

Welke functie van de stad herken je op de foto?

a)

onderwijsfunctie

b)

culturele functie

c)

woonfunctie

d)

industriële functie

43.

Welke functie van de stad herken je op de foto?e

a)

sociale functie

b)

religieuze functie

c)

woonfunctie

d)

administratieve functie

44.

Welke functie van de stad herken je op de foto?

a)

geneeskundige functie

b)

administratieve functie

c)

sociale functie

d)

woonfunctie

45.

Uit welke 3 delen is een stad opgebouwd?

a)

stadswijk, stadskern en stadscentrum

b)

stadskern, stadsrand en stadswijk

c)

stadskern en standsrand

46.

Wat is een multiculturele samenleving?

a)

Een samenleving van mensen met verschillende huidskleur.

b)

Een samenleving van mensen met verschillende geloofsovertuigingen.

c)

Een samenleving van mensen met andere gewoontes, tradities, ... (bv. geloof, taal, ...)