Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlandse landschappen

Total questions: 32

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Het Kwartair bestaat uit het Holoceen en het Pleistoceen

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Waardoor steeg de zeespiegel in het Holoceen?

a)

De temperatuur op aarde daalde waardoor er zeeijs ontstond

b)

De temperatuur op aarde steeg waardoor het landijs smolt

3.

In het Holoceen ging de temperatuur omhoog

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

In het Holoceen werd het landschap van de Veluwe gevormd

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wat is de transportkracht die de stuwwallen heeft gemaakt?

a)

Wind

b)

Rivieren

c)

Landijs

6.

Wat is een gletsjer?

a)

IJsmassa in het hooggebergte die langzaam naar beneden schuift

b)

IJsmassa in het laagland die langzaam verder schuift.

c)

IJsmassa in het hooggebergte die snel naar beneden schuift.

7.

Hoe heet de laag grond die onder het landijs lag?

a)

Zwerfkeien

b)

Dekzand

c)

Keileem

d)

Veen

8.

In de koudste periode van de voorlaatste ijstijd (Saale) kwam het ijs tot half Nederland

a)

Tot de HUM-lijn: Haarlem, Utrecht, Maarsen

b)

Tot de HUN-lijn: Haarlem, Utrecht, Nijmegen

9.

Stuwwallen zijn heuvels die bestaan uit sediment dat er voor de ijstijd is neergelegd.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Materiaal van de spoelzandwaaier (Sandr) is afkomstig van de stuwwal

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Zet in goede volgorde van klein naar groot:

a)

grind, rotsen, zand, klei

b)

rotsen, grind, zand, klei

c)

klei, zand, rotsen, grind

d)

klei, zand, grind, rotsen

12.

Heuvels die door landijs ontstaan zijn

a)

Stuwwallen

b)

Stuwdammen

c)

Stuwheuvels

d)

Piramides

13.

Hoe zijn stuwwallen ontstaan?

a)

Door het zand wat uit de Noordzee werd geblazen

b)

Doordat Nederland nog steeds door middel van opheffing omhoog komt

c)

Door een ijstong in de ijstijd

d)

Door het botsen van tektonische platen tegen elkaar

14.

Wat is klei?

a)

De kleinste korreltjes sediment die alleen met een microscoop te zien zijn.

b)

De grootste korreltjes sediment die alleen met een microscoop te zien zijn.

c)

De kleinste korreltjes sediment die met het blote oog te zien zijn.

d)

De grootste korreltjes sediment die met het blote oog te zien zijn.

15.

Wat is erosie?

a)

Het afschuren van stenen door water, ijs of wind

b)

Het afbrokkelen van gesteente

c)

Gletsjers die puin mee nemen

d)

De grens tussen twee stroomgebieden

16.

Wat is verwering?

a)

Uiteenvallen van gesteente door wind en rivieren

b)

Uiteenvallen van gesteente door weer en planten.

c)

Het afschuren van steen door wind

d)

Het puin aan het einde van een gletsjer

17.

Zet in goede volgorde van de stroming

a)

Delta, middenloop, benedenloop, bovenloop

b)

Bovenloop, middenloop, benedenloop, delta

c)

Bovenloop, benedenloop, middenloop, delta

d)

Delta, benedenloop, middenloop, bovenloop

18.

Kenmerken van oude gebergten zijn:

a)

Steile toppen, diepe dalen

b)

Afgeronde toppen, diepe dalen

c)

Afgeronde toppen, ondiepe dalen

d)

Steile toppen, ondiepe dalen

19.

Kenmerken van jonge gebergten zijn:

a)

Steile toppen, diepe dalen

b)

Afgeronde toppen, diepe dalen

c)

Steile toppen, ondiepe dalen

d)

Afgeronde toppen, ondiepe dalen

20.

In welke geologische tijd leven wij nu?

a)

Precambium

b)

Pleistoceen

c)

Tertiair

d)

Holoceen

21.

Uit welke twee tijdvakken bestaat het Kwartair?

a)

Tertiair & Pleistoceen

b)

Pleistoceen & Precambium

c)

Holoceen & Pleistoceen

d)

Holoceen & Tertiair

22.

Welk plantje is kenmerkend voor hoogveen?

a)

Riet

b)

Zegge

c)

Veenmos

d)

Turfmolm

23.

Veenmos groeit in voedselrijk water.

a)

fout

b)

goed

24.

Hoe heet een woonheuvel die de mens maakte om zich tegen water te beschermen?

a)

Polder

b)

Uiterwaard

c)

Berg

d)

Terp

25.

Hoe noem je een grondsoort die ontstaat door plantenresten?

a)

Klei

b)

Zand

c)

Löss

d)

Veen

26.

Wat zijn de grootste nadelen van regenen in Zuid-Limburg?

a)

Kalksteen spoelt weg

b)

Lössgrond spoelt weg, die is vruchtbaar en verstopt de riolen van het dorp en de weg wordt glad.

c)

De dorpen krijgen dan zoveel water dat de gemalen het niet weggepompt krijgen

d)

Het tast het vuursteen aan

27.

Waar of niet waar? Hoogveen 'leeft' van regenwater.

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Waar of niet waar? Laagveen 'leeft' van regenwater.

a)

Waar

b)

Niet waar

29.

Wat is riet- & zeggeveen?

a)

Hoogveen

b)

Laagveen

30.

Wat is veenmosveen?

a)

Hoogveen

b)

Laagveen

31.

Löss werd ..1.. vervoerd en kwam in de luwte van de Zuid-Limburgse heuvels terecht. Klei en löss zijn ..2.. Zand en stenige grond zijn ..3..

a)

1 via de Maas, 2 vruchtbaar, 3 niet vruchtbaar.

b)

1 hoog door de lucht, 2 niet vruchtbaar, 3 vruchtbaar.

c)

1 hoog door de lucht, 2 vruchtbaar, 3 niet vruchtbaar.

d)

1 via de maas, 2 vruchtbaar, 3 vruchtbaar.

32.

Waar vergaan resten van planten, dieren en mensen niet in een moerassige grond?

a)

Veel zuur water.

b)

Er kan geen zuurstof bijkomen.

c)

Planten, dieren en mensen vergaan wel in een moerassige grond.

d)

Stikstof in water houdt de rotting tegen.