wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Actief Groep 6 Thema 8 Woordenschat deel 2

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

De levensstijl

a)

De manier waarop iemand leeft

b)

Als je alleen geld uitgeeft aan dingen die je echt nodig hebt.

c)

Als je veel geld weggeeft.

d)

Erg arm zijn.

2.

Sober

a)

De manier waarop iemand leeft.

b)

Als je alleen geld uitgeeft aan dingen die je echt nodig hebt.

c)

Als je veel geld weggeeft.

d)

Erg veel geld uitgeven.

3.

Verkwistend

a)

Als je veel geld uitgeeft aan dingen die je niet nodig hebt.

b)

Als je alleen geld uitgeeft aan dingen die je echt nodig hebt.

c)

Als je liever geen geld aan anderen (uit)geeft.

d)

Als je veel geld weggeeft.

4.

Krenterig

a)

Als je liever geen geld aan andere mensen (uit)geeft.

b)

Als je veel geld uitgeeft aan dingen die je niet nodig hebt.

c)

Iets proberen waarvan je niet zeker weet of het lukt.

d)

Een heel domme fout.

5.

Iets proberen waarvan je niet zeker weet of het lukt.

a)

Een poging wagen

b)

Minstens

c)

De blunder

d)

De opslag

6.

Niet minder dan

a)

Minstens

b)

Vrijgevig

c)

Krenterig

d)

Maximaal

7.

Als je meer zakgeld krijgt, of meer loon.

a)

De opslag

b)

De spaarpot

c)

De blunder

d)

Sober

8.

De blunder

a)

Een machine waar je fruit in pureert.

b)

Een heel domme fout.

c)

Een ondergrondse kamer.

9.

Erg arm zijn

a)

Geen cent te makken

b)

Met geld smijten

c)

Van de eerste orde

10.

Voor heel weinig geld iets kopen

a)

Voor een prikkie

b)

Een dure grap

c)

Een kat in de zak kopen

d)

Met geld smijten

11.

Als iets heel erg is.

a)

Van de eerste orde

b)

Niet veel soeps

c)

Iemand een poepie laten ruiken

d)

Een dure grap

12.

Dat stelt niet veel voor

a)

Niet veel soeps

b)

Een dure grap

c)

Een kat in de zak kopen

13.

Het kost veel geld

a)

Een dure grap

b)

Iemand een poepie laten ruiken

c)

Niet veel soeps

d)

Een kat in de zak kopen

14.

Je koopt iets dat goed lijkt, maar waarvan later blijkt dat het toch niet goed is.

a)

Een kat in de zak kopen

b)

De hond in de pot vinden

c)

Een haar in de soep hebben

15.

De oom van Leon koopt op één dag een telefoon, een televisie en een auto.

a)

Met geld smijten

b)

Afdingen

c)

Watertanden

d)

De opslag

16.

Timo kreeg eerst twee euro zakgeld per week. Nu krijgt hij drie euro.

a)

De opslag

b)

De tol

c)

Met geld smijten

d)

Een bod doen

17.

Om in Frankrijk over de snelweg te mogen rijden, moet je geld betalen.

a)

Afdingen

b)

De tol

c)

Dubbelop

d)

Een bod doen

18.

Amin wil tien euro voor zijn bal. Tara wil dat niet betalen. Ze zegt: "Ik geef je drie euro"

a)

Afdingen

b)

Met geld smijten

c)

Een kat in de zak kopen

d)

Een bod doen.

19.

Marco's tante geeft hem twintig cent voor zijn verjaardag.

a)

Vrijgevig

b)

Krenterig

c)

Met geld smijten

20.

Tom's moeder trakteert de hele klas zomaar op ijsjes.

a)

Krenterig

b)

Vrijgevig