WorksheetsWerkwoordspelling TT
Total questions: 11
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Fleur ... vaak met haar oma
a)
bel
b)
belt
c)
bellen
2.
Je ... toch twee broers?
a)
hebben
b)
heeft
c)
heb
d)
hebt
3.
De kinderen ... in de speeltuin
a)
speel
b)
spelen
c)
speelt
4.
Ik ... een lange e-mail.
a)
schrijft
b)
schrijven
c)
schrijf
5.
Het vliegtuig ... in Amsterdam
a)
landt
b)
landen
c)
land
6.
Het vuur ...
a)
branden
b)
brandt
c)
brand
7.
Mijn zus ... niet van kaas
a)
houd
b)
houdt
c)
houden
8.
Jij ... wel weer te laat komen
a)
zult
b)
zul
c)
zullen
9.
Ik ... in het meertje
a)
zwemmen
b)
zwem
c)
zwemt
10.
De meisjes ... de kaarsjes uit.
a)
blaas
b)
blazen
c)
blaast
11.
Hij ... naar de overkant.
a)
vaart
b)
vaar
c)
varen
100 %
