wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

AFP periode 1

Total questions: 85

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:

a)

Orgaanstelsel, orgaan, weefsel, cel

b)

cel, orgaan, weefsel, orgaanstelsel

c)

cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel

d)

weefsel, orgaan, orgaanstelsel, cel

2.

Een prokaryote cel heeft een celkern.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Wat houdt cel differentiatie in?

a)

dat cellen zich aanpassen aan de omgeving

b)

dat cellen zich gaan specialiseren in een bepaalde functie

c)

dat cellen langzaam afsterven als gevolg van degeneratie

d)

dat cellen zich blijven delen totdat er voldoende zijn

4.

Wat is het cytoplasma?

a)

De kern in het centrum van de cel

b)

De waterige massa in de cel

c)

het dunne laagje dat de cel omsluit

d)

het belangrijke onderdeel van een plasmatelevisie

5.

Semipermeabel betekent:

a)

doorlaatbaar

b)

beweeglijk

c)

half-doorlaatbaar

d)

soepel

6.

Een celorganel is:

a)

een structuur binnen de cel met een bepaalde functie

b)

de waterige massa binnen de cel

c)

het dunne laagje dat de cel omsluit

d)

de kern in het centrum van de cel

7.

Wat is de functie van membraanporiën in de celmembraan?

a)

Het ontvangen van bijvoorbeeld hormonen

b)

Het doorgeven van prikkels

c)

Het doorlaten van stoffen

d)

De cel beschermen tegen schadelijke invloeden

8.

Passief actief over de celmembraan:

a)

kost energie

b)

kost geen energie

c)

kost energie in de vorm van suiker

d)

kost energie in de vorm van vet

9.

Actief transport over de celmembraan:

a)

kost energie

b)

kost geen energie

c)

kost energie in de vorm van suiker

d)

kost energie in de vorm van vet

10.

Nucleus betekent:

a)

cel

b)

celmembraan

c)

celkern

d)

celorganel

11.

Chromosomen zijn opgebouwd uit:

a)

Glucose

b)

DNA

c)

C&A

d)

eiwitten

12.

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke lichaamscel?

a)

23

b)

44

c)

46

d)

52

13.

Een orgaanstelsel is opgebouwd uit:

a)

een orgaan met een bepaalde functie

b)

meerdere organen die samenwerken in een bepaalde functie

c)

meerdere organen die dezelfde vorm hebben

d)

meerdere organismen die samenwerken in een bepaalde functie

14.

Een lichaamscel is:

a)

haploïd

b)

diploïd

15.

Een geslachtscel is:

a)

haploïd

b)

diploïd

16.

Hoeveel chromosomen heeft een mens

a)

46 paar

b)

46

c)

23 paar

d)

23

17.

Hoeveel chromosomen heeft een geslachtscel van een mens

a)

46 paar

b)

46

c)

23 paar

d)

23

18.

Deze celdeling wordt ook wel reductiedeling genoemd:

a)

mitose

b)

meiose

19.

Hierbij worden zaadcellen gevormd.

a)

Mitose

b)

Meiose

20.

Dit vindt in alle geslachtscellen plaats.

a)

Mitose

b)

Meiose

21.

Dit vindt in alle lichaamscellen plaats.

a)

Mitose

b)

Meiose

22.

Dit vindt in alle lichaamscellen plaats.

a)

Mitose

b)

Meiose

23.

De nieuwe cellen worden gebruikt om andere cellen te vervangen.

a)

Mitose

b)

Meiose

24.

Na de deling zijn er 2 cellen met evenveel chromosomen als de moedercel.

a)

Mitose

b)

Meiose

25.

Het aantal chromosomen is na het voltooien van de deling gehalveerd.

a)

mitose

b)

meiose

26.

Om te kunnen groeien, zijn er nieuwe cellen nodig.

a)

Mitose

b)

Meiose

27.

De cellen uit deze deling kunnen alleen gebruikt worden voor geslachtelijke voortplanting

a)

Mitose

b)

Meiose

28.

De nieuwe cellen zijn niet precies hetzelfde als de moedercel.

a)

Mitose

b)

Meiose

29.

Na de bevruchting van de eicel vindt deze deling plaats.

a)

mitose

b)

meiose

30.

Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)

a)

rolgewricht

b)

scharniergewricht

c)

kogelgewricht

d)

bindweefselverbinding

31.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
32.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
33.
De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
35.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
36.

Bot is slechter doorbloed dan kraakbeen

a)

Juist

b)

onjuist

37.

De kromming die de lendewervels vormen noemen we een:

a)

kyfose

b)

lordose

c)

scoliose

38.

Een wervel is een:

a)

pijpbeen

b)

kort been

c)

plat been

d)

onregelmatig been

39.

Hoeveel halswervels heeft een mens?

a)

3

b)

5

c)

7

d)

12

40.

Hoeveel borstwervels heeft een mens?

a)

3

b)

5

c)

7

d)

12

41.

Hoeveel lendewervels heeft een mens?

a)

3

b)

5

c)

7

d)

12

42.

De tussenwervelschijven bestaan uit:

a)

hyalien kraakbeen

b)

elastisch kraakbeen

c)

vezelig kraakbeen

d)

sponsachtig kraakbeen

43.

Een voorbeeld van een rolgewricht is:

a)

het schoudergewricht

b)

het gewricht tussen spaakbeen en ellepijp

c)

het gewricht tussen schouderblad en sleutelbeen

d)

het polsgewricht

44.

Een voorbeeld van een eigewricht is:

a)

het heupgewricht

b)

het polsgewricht

c)

het gewricht tussen de handwortel en de middenhand

d)

het ellebooggewricht

45.

Een osteoblast is een botcel die:

a)

bot afbreekt

b)

bot opbouwt

c)

bot via bloedvaten van bloed voorziet

d)

kraakbeen via bloedvaten van bloed voorziet

46.

Een osteoclast is een botcel die:

a)

bot afbreekt

b)

bot opbouwt

c)

bot via bloedvaten van bloed voorziet

d)

kraakbeen via bloedvaten van bloed voorziet

47.
Er zijn 4 groepen spierweefsel.
a)
Juist
b)
Fout
48.
Zowel dwarsgestreept spierweefsel als gladspierweefsel staan onder invloed van de wil. 
a)
fout
b)
juist
49.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
50.

Juist of onjuist? De hoeveelheid spiervezels in een motorische eenheid is afhankelijk van de motoriek. Fijn is minder vezels, grove is meer vezels per zenuwcel.

a)

juist

b)

onjuist

51.

Met welk gewricht kun je alle kanten op bewegen?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

52.

Hiermee zitten je spieren vast aan je botten?

a)

Pezen

b)

Aderen

c)

Zenuwen

53.
Welke spier staat hier in het rood?
a)
gluteus maximus
b)
piriformis
c)
TFL
d)
Hamstring
54.
Welke spier staat hier in het blauw?
a)
Deltoidei
b)
Psoas Major
c)
Levator Scapulae
d)
Trapezius
55.
De biceps is tweekoppig.
a)
Juist
b)
Onjuist
56.
Je biceps gebruik je om je arm te...
a)
strekken
b)
buigen
57.
Dit is de....
a)
Biceps Brachii
b)
Triceps Brachii
c)
Sternocleidomastoideus
d)
Deltoideus
58.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
59.
Wat is GEEN functie van het skelet?
a)
Bescherming
b)
Vorm
c)
Beweging
d)
Verteren
60.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
61.
Welke vorm zorgt ervoor dat de wervelkolom schokken kan opvangen?
a)
Golvende vorm
b)
Dubbele s-vorm
c)
Scoliose
62.
Wat geeft nummer 2 aan?
a)
Spiervezel
b)
Spierbundel
c)
Spier
d)
Pees
63.
Als je je arm wilt strekken dan span je je ...
a)
biceps
b)
triceps
c)
biceps en triceps
d)
geen van beide
64.
Je hart is een ...
a)
willekeurige spier
b)
onwillekeurige spier
65.

"De contractie verloopt traag, maar de spiercellen raken niet snel vermoeid" is kenmerkend voor:

a)

Gladspierweefsel

b)

Dwarsgestreept spierweefsel

c)

Skeletspierweefsel

d)

Hartspierweefsel

66.

Van groot naar klein is het:

a)

Spier-spiervezel-spierbundel-sarcomeer

b)

Spier-sarcomeer-spiervezel-spierbundel

c)

Spier-spierbundel-spiervezel-sarcomeer

d)

Spier-spierbundel-sarcomeer-spiervezel

67.
Hoe heet de bekende sixpack?
a)
m.Gluteaus Maxiumus
b)
m.Rectus obliquus
c)
m.Rectus abdominus
d)
m.Biceps
68.
Waar in het lichaam vind je veel glad spierweefsel?
a)
Skelet
b)
Bloedvaten
c)
Alle holle organen
d)
In het hart
69.

Waarin eindigt de vertakking van de zenuwcel als deze zenuwcel een spier aanstuurt?

a)

spierschede

b)

spiervezel

c)

motorisch eindplaatje

d)

motorische eenheid

70.

Hoe zien actine- en myosinefilamenten eruit?

a)

Actine is dik en myosine is dun

b)

actine is dun en myosine is dik

c)

actine en myosine zijn beiden dik

d)

actine en myosine zijn beiden dun

71.

Reumatoïde artritis is een vorm van:

a)

Artrose

b)

Ontstekingsreuma

c)

Osteoporose

d)

Wekedelen reuma

72.

Bij artrose ontstaat er een verlies van:

a)

kraakbeen

b)

dwarsgestreept spierweefsel

c)

glad spierweefsel

d)

bindweefsel

73.

Een systemische behandeling werkt:

a)

Op het kraakbeen en het bot

b)

Op het kraakbeen

c)

Op het bot

d)

Op het gehele lichaam

74.

Fibromyalgie is een vorm van:

a)

artrose

b)

ontstekingsreuma

c)

wekedelen reuma

d)

osteoporose

75.

Wat is een risicofactor voor het ontstaan van osteoporose?

a)

weinig lichaamsbeweging

b)

het eten van 250 gram groente per dag

c)

het eten van 2 stuks fruit per dag

d)

leeftijd onder de 21 jaar

76.

In welk lichaamsdeel komt jicht veel voor?

a)

In de wervelkolom

b)

In de grote teen

c)

In de heupen

d)

In de schouder

77.

Waar in het lichaamsdeel veroorzaakt de ziekte van Bechterew pijnklachten?

a)

In de knieën en heupen

b)

In de wervelkolom

c)

In de grote teen

d)

In de handen

78.
Juist of onjuist?
Bacteriën kunnen ééncellig of meercellig zijn.
a)
Juist
b)
Onjuist
79.
Juist of onjuist?
Bacteriën hebben een celkern.
a)
Juist
b)
Onjuist
80.
Kies het juiste antwoord.
Welke onderdelen bezitten de cellen van bacteriën wel?
a)
Celwand, celkern, bladgroenkorrels
b)
Celwand
c)
Bladgroenkorrels
d)
Celkern
81.
Hoe planten bacteriën zich voort?
a)
Sporen
b)
Deling
c)
Zaadcel en eicel
d)
Sporen en deling
82.
Kun je met behulp van antibiotica een ziekte door bacteriën verhelpen?
a)
Ja
b)
Nee
83.
Juist of onjuist?
Door goede hygiëne kun je voorkomen dat er bacteriën in je lichaam komen waar je ziek van wordt.
a)
Juist 
b)
Onjuist
84.

Hoe noem je de bacteriën die bolvorming zijn?

a)

Vibrionen

b)

Spirillen

c)

Kokken

d)

Bacillen

85.

verkoudheid wordt veroorzaakt door

a)

virus

b)

schimmel

c)

bacterie

d)

zonder jas naar buiten gaan